Vijf jaar lang vijf-jaars opties

Sinds vorige week donderdag kunnen beleggers handelen in een nieuwe meerjarige Philips-optie met een uitoefenprijs van 25 gulden, die in oktober 1996 afloopt en komt naast de al lopende 1996-'er van 35 gulden. Deze introductie is opmerkelijk, want tot nu toe beperkte de Optiebeurs dit soort opties tot slechts één uitoefenprijs per vervaljaar. Die prijs wordt bij de introductie vastgesteld en ligt dicht bij de geldende koers van het betreffende aandeel of de index.

Loopt die koers daarna weg van de uitoefenprijs dan krijg je tal van incourante series, zoals blijkt uit het koersoverzicht meerjarige opties. Dat is lastig voor lange termijn beleggers en eigenlijk niet logisch, want bij de korte opties komen er in zo'n geval wel nieuwe uitoefenprijzen bij. Daarom liet de beurs onlangs na grondig onderzoek de strakke teugels vieren met een tweede 1996-call en -put op Philips.

Een commissie van de Rotterdamse Erasmus Universiteit, onder leiding van optiedeskundige mevrouw dr A.G.Z. Kemna heeft in opdracht van de beurs onder meer uitgezocht wanneer het tijd is voor nieuwe series. Een van de conclusies uit haar rapport "Vijf jaar vijfjaars opties' luidt: “Introductie moet plaatsvinden als de aandelenkoers 25 procent is gestegen of gedaald ten opzichte van de koers bij de vaststelling van de uitoefenprijs.”Wordt die aanbeveling met terugwerkende kracht toegepast op de lopende meerjarige opties Akzo, KLM, Koninklijke Olie, Philips en Unilever (daar gaat het rapport over), dan moeten er alsnog negentien series bijkomen, waarvan acht direct na de krach van oktober 1987 toen alle koersen scherp waren gedaald.

Maar de Optiebeurs gaat niet zover terug en denkt alleen aan opties met een resterende looptijd tussen de vier en vijf jaar. Dit om te voorkomen dat er te veel lange series komen en de doorzichtigheid en liquiditeit van de markt vermindert.

Voor beleggers is het van belang dat er een regel komt die precies aangeeft wanneer een nieuwe lange optie in de beeld komt: Al op de dag dat het aandeel 25 procent buiten de richtkoers ligt, na drie dagen of pas na een week. Je moet niet overvallen worden door een introductie.

In oktober 1986 kwam de Amsterdamse Optiebeurs als eerste in de financiële beurswereld met opties met een maximale looptijd van vijf jaar. In andere landen gaat men niet verder dan contracten van hooguit drie jaar. De opties uit de eerste reeks liepen vorig jaar oktober af en dat was de aanleiding om dit unieke instrument eens te laten evalueren door optielogen.

Het rapport van de commissie Kemna gaat in op twee vragen. “Hoe verhouden kort- en langlopende opties zich wat betreft risicoparameters zoals delta, gamma en dergelijke en welke gevolgen hebben eventuele verschillen voor het beheer van een portefeuille met opties?” En: “Is er een verband tussen de omzet en de relatie beurskoers/uitoefenprijs in lange opties en wat betekent dit voor de introductie van nieuwe series?”

Uit de berekeningen van de commissie blijkt dat veranderingen in de waarde van een kortlopende opties als gevolg van koersbewegingen in het onderliggende aandeel veel verschillen van de fluctuaties in lange opties. Met andere woorden: lange opties reageren veel minder heftig op prijsveranderingen van de het aandeel dan korte. Daarom is het riskant om langlopers te beschermen met kortlopers of vice versa. Het is beter om af te dekken met aandelen, want het risicokarakter van lange opties lijkt meer op dat van een aandeel. Maar afdekken met aandelen vraagt wel meer aan financieringslasten en transactiekosten. Zo is er altijd wat.

Ook blijkt er een duidelijk verband te bestaan tussen de omzet en de moneyness (verhouding beurskoers/uitoefenprijs) van meerjarigen. Zodra de beurskoers flink af gaat wijken van de uitoefenprijs, loopt de omzet in een serie terug. Dat weet iedere optie-belegger uit ervaring, maar de commissie heeft dat vervelende gevoel uitgedrukt in een formule, om zo uit te komen op de voornoemde 25 procent regel.

Het rapport van 60 pagina's bevat verder talrijke historische cijfers. Zo zijn er in de afgelopen vijf jaar meer dan drie miljoen lange contracten verhandeld, waarvan ruim 50 procent in Philips. In de calls ging er 70 procent om en in de puts 30. Beleggers kiezen voor een bepaalde optie, omdat de relatie uitoefenprijs/aandelenkoers hen bevalt. Zij kiezen niet voor de langste looptijd, zegt de commissie.

Kortom: verplichte (vacantie) litteratuur voor ervaren optiebeleggers met gevoel en belangstelling voor cijfers.