Rechtbanken in beweging

DE REORGANISATIE van de rechterlijke macht is nu dan toch echt begonnen. Deze maand zijn twee vormen van gespecialiseerde rechtspraak officieel samengevoegd met de rechtbanken. Dit betekent opheffing van de tien raden van beroep en ambtenarengerechten en overheveling van hun taak (en personeel) naar de negentien arrondissementsrechtbanken, waar de algemene rechtspraak in burgerlijke en strafzaken berust. Tegelijk is per 1 juli het lekenelement in de geschillenbeslechting op het gebied van sociale zekerheid en ambtenarenzaken afgeschaft.

Het is een hele operatie maar toch heet deze nog slechts “voorintegratie”, de aanloop tot een gefaseerd proces dat op 1 januari 1999 voltooid moet zijn. De eerste fase behelst het scheppen van een nieuwe categorie afdelingen voor arob-zaken (geschillen tussen burger en bestuur) binnen de rechtbanken. Daarna is onder meer nog samenvoeging van kantongerechten en rechtbanken gepland. Doel is de rechtbanken uit te bouwen tot een algemeen “gerecht van eerste aanleg” (GEA).

HET KABINET prijst deze grote operatie aan in termen van cliëntvriendelijkheid, kwaliteit van de rechtspraak en “een effectieve inzet van mensen en middelen”. Bepalend is vooral het aspect van de rechterlijke onafhankelijkheid. Deze is niet alleen een kwestie van professionele kwalificatie; het organisatorische kader waarin de rechters hun werk doen is niet van minder betekenis als onafhankelijkheidsfactor.

Zo bevat de voorgenomen reorganisatie niet onbelangrijke conflictstof tussen de Raad van State en de Hoge Raad over de vraag wie het laatste woord dient te hebben in geschillen tussen burger en bestuur. Ook zonder die zaken erbij heeft de Hoge Raad het nu al zo druk dat er wordt gedacht over beperking van de toegang tot de hoogste rechter. Deze zou voortaan zelf de zaken mogen uitkiezen die van bijzonder juridisch belang zijn. Niet de minste complicatie is dat in de nieuwe opzet rechters zoveel mogelijk alleen zitten (de unus-rechtspraak) in plaats van in kamers van drie. Bovendien is het de bedoeling dat men van de uitspraak van zo'n unus niet in beroep kan gaan bij een hogere instantie, maar bij een meervoudige kamer in het betrokken gerecht zelf, het interne appel.

Alles bij elkaar is het weinig minder dan een justitiële aardverschuiving. Toch heeft minister Hirsch Ballin van justitie er bewust voor gekozen de herzieningsoperatie niet eerst in haar geheel te bespreken met het parlement. Dat algemene plan is er wel, in de vorm van het rapport van een staatscommissie met bijbehorend standpunt van het vorige kabinet. Maar Hirsch Ballin heeft er de voorkeur aan gegeven de discussie te voeren aan de hand van wetsvoorstellen voor de concrete onderdelen.

DEZE SALAMITACTIEK belooft ook nog eens gepaard te gaan met een strategie van voldongen feiten, want er was al een begin gemaakt met de voorintegratie toen de Tweede Kamer onlangs akkoord ging met de eerste tranche. De regering heeft ook niet de moeite genomen expliciet te reageren op nadere adviezen die zijn uitgebracht. Toch is er alle reden zich eens grondig af te vragen waar men eigenlijk mee bezig is. Dient het opgaan van de kantongerechten in anonieme rechtbanken werkelijk de toegankelijkheid en cliëntvriendelijkheid? Verdraagt intern appel zich wel met het vermijden van iedere schijn? En vooral: hoe wil men voorkomen dat zo'n massaal gerecht van eerste aanleg niet alleen maar de verambtelijking van de rechterlijke macht in de hand werkt? De Nederlandse rechtspraak verdient een betere behandeling.