Ondernemer verdiende "leuke cent' aan Den Haag

De begroting van de gemeente van Den Haag is met bijna tien procent overschreden. Joop ten Velden, in de jaren zeventig PvdA-raadslid in de gemeente, verdiende later een "leuke cent' aan de stadsvernieuwing. De tweede aflevering in een serie over de begrotingsperikelen van Den Haag.

DEN HAAG, 28 JULI. Voor Joop ten Velden viel er in 1982 niets meer in de Haagse gemeenteraad te beleven. Zijn werk was af, zijn loopbaan doodgelopen; hij vertrok. Een nieuw leven wenkte.

“Er was niets meer om nog oppositie tegen te voeren”, vertelt hij. Zijn oude strijdmakker in de raad, partijgenoot Adri Duijvestein, was in 1980 wethouder geworden. “Binnen de kortste keren liep het als een trein. Zo hadden Adri en ik het altijd gewild.”

Tegelijk merkte Ten Velden dat er steeds vaker “verhalen” over hem de ronde deden. “Dat ik mijn functie in de raad - mijn lidmaatschap van de commissie stadsvernieuwing, mijn vriendschap met Adri - gebruikte om voor mijn werk als stedebouwkundige opdrachten binnen te halen. Dat er dus vermenging van belangen was. Geen spráke van! Maar ik wilde van die verhalen af.”

In carrière-technisch opzicht was zijn lidmaatschap van de raad toch al niet het succes geworden dat er aanvankelijk inzat. Tweemaal miste hij op een haar het wethouderschap. En in 1978 dankte hij zijn terugkeer in de raad aan de “mensen in de oude wijken”, die ternauwernood een onverkiesbare plaats afwendden met een actie onder de leuze: "Geef ons hoop, stem op Joop'.

Vier jaar later werd hij ondernemer. Hij startte een adviesbureau inzake ruimtelijke ordening en volkshuisvesting, "Advisie'. Hij heeft nu eenmaal altijd “ideeën met de stad”, hij is “charmant”. En die twee eigenschappen gaven hem gelegenheid geld aan de stadsvernieuwing te verdienen. Zijn gevoel voor de basale aspecten van het zakenleven (“dat je alert moet zijn op je fee”) was minder, en zo moest hij in de eerste jaren wel eens leergeld betalen.

Het kwam dan ook niet slecht uit dat Duijvestein hem in 1985 belde. In de Schilderswijk was een functie van “projectleider” voor de stadsvernieuwing vacant geworden. “Adri moest binnen twee dagen iemand hebben.” Na “harde onderhandelingen”, waarbij “vriendjespolitiek uiteraard geen enkele rol speelde”, benoemde Duijvestein hem voor twintig uur per week. Ten Velden wist wat Duijvestein van hem verwachtte: “Het doel - een razendsnelle vernieuwing van de wijk - heiligde alle middelen”.

“In de politiek”, expliceert Ten Velden, “hadden ze het altijd over "de regels' en "de procedures'. Adri en ik vonden: als je alleen maar doet wat mag, dan komt er nooit iets van de grond. Al die raadsleden die wonen in de mooie buurten, ook de PvdA'ers, wisten niets van de emoties die in de Schilderswijk leefden. Dus aan geneuzel over regeltjes, aan geneuk over cijfertjes hebben wij nooit gedaan. En aan geld hadden we al helemaal maling. Wat is nou beter: een stad die je toelacht of een sluitende begroting?”

In die dagen bracht ook het plan voor een nieuw stadhuis aan het Spui de twee voormalige activisten op een gezamenlijk spoor. Nadat Duijvestein medio 1986 steun had verworven om de bouw van een stadhuis te onderzoeken, schreef de gemeente een prijsvraag uit voor een ontwerp; de raad zou als jury dienen. De onderneming van Ten Velden was er als de kippen bij. “Als man van ideeën”, zegt Ten Velden, “wist ik meteen hoe ik die prijsvraag moest winnen.”

Ten Velden zocht contact met een “bevriende” verslaggever van de Haagsche Courant. “Adri en ik hebben altijd goede relaties met de pers gehad. Een kwestie van primeurs weggeven”, vertelt hij. Samen met de verslaggever vloog hij naar New York, waar een ontmoeting was gepland met Richard Meyer. “Ik was ervan op de hoogte dat Meyer als progressief architect goed zou vallen bij Duijvestein, en wegens zijn meer sjieke werk ook bij CDA en VVD. Vandaar dat ik meteen zaken deed. De Haagsche Courant bracht het groot: "Advisie contracteert Meyer'.”

Ten Velden had nu een ideale positie. Iedere ondernemer die een redelijke kans wilde maken om het nieuwe stadhuis te bouwen, moest in zee met Richard Meyer - en dus met Advisie. De aannemerscombinaties die destijds, in de warme zomerdagen van 1986, hun uiterste best deden om het project gegund te krijgen, liepen de deur bij Ten Velden plat. Het waren spannende tijden. Pas op het laatste moment, de dag dat iedere kandidaat zijn plan aan Duijvestein moest ontvouwen, werd het schot gelost. En zo geschiedde het dat op 7 juli, laat in de ochtend, de OCS (op dat moment een combinatie van Bredero, IBC, Richard Allis en Amstelland) een contractsom - een “leuke cent”, zegt Ten Velden - met Advisie overeenkwam om in zee te gaan met Richard Meyer. Enkele uren later, om twee uur 's middags, zou de combinatie het goede nieuws aan de wethouder brengen - de dagen nadien vertoonde Ten Velden zich van oor tot oor glunderend in de stad: wat een slag had-ie geslagen!

Hoeveel geld precies met de deal gemoeid was, hij wilde het niet zeggen. “Maar zó vaak heb ik meegemaakt dat mijn ideeën amper zijn beloond, dat ik het een vorm van rechtvaardigheid vind dat dit nu eens op waarde is geschat.” De uiteindelijke contractsom, zo blijkt uit correspondentie, bedroeg 400.000 gulden - te betalen in vier jaarlijkse termijnen van een ton.

De relatie tussen de OCS en Ten Velden werd er niet beter op. De combinatie deed nogal eens een beroep op hem, vooral wegens zijn goede contacten met Duijvestein en dat verliep stroef, want Ten Velden was voortdurend druk doende met andere zaken. Zo was hij nog altijd projectleider stadsvernieuwing in de Schilderswijk. Dat werk werd onder druk van de onvoldoende stijgende budgetten steeds gecompliceerder. Er was maar één oplossing: “Niet stilstaan bij de kosten”. En zo zag ook Ten Velden van dichtbij dat een financieel probleem van grote omvang werd gecreëerd. “Van geld zal ik nooit verstand krijgen”, zegt Ten Velden, “maar ook ik wist: zoals het nu onder Adri gaat, kan het nooit doorgaan.”

Ook Ten Velden zelf ontmoette in de jaren negentig tegenspoed. Toen het stadhuisplan eenmaal was geaccepteerd door de raad, bleek de OCS niet van plan tegen de vastgestelde financiering het stadhuis te bouwen. Een andere combinatie voert het project nu uit. De OCS betaalde Ten Velden “geen cent” - in het contract was vastgelegd dat de betaling pas een aanvang zou nemen als de bouw was gestart. Ten Velden is inmiddels een rechtzaak begonnen. “De OCS is gewoon slordig geweest. Ze zijn vergeten mijn fee in rekening te brengen bij de gemeente. Maar ik krijg dat geld heus wel”, aldus Ten Velden.