Leedvermaak

Leedvermaak is vies. Misschien nog wel viezer dan ordinair liegen of gemene, achterbakse dingen over iemand vol genot doorvertellen. Soms zie je het gebeuren. Een auto wordt weggesleept. Stoere mannen hijsen met onverzettelijke achteloosheid een gloednieuwe sportautomobiel van de stoep. De omstanders laten een begripvol gemompel horen. Eigen schuld, dikke bult. Koekjes van eigen deeg. Zo gedaan, zo gestaan. Zo gewonnen, zo geronnen. Wie zijn gat verbrandt moet op de blaren zitten. Zint eer gij begint. God zalft en God straft. Arm of rijk, de straf blijft gelijk. O, zo.

Echt waar, ik heb een keer gezien dat een van die takelaars goedkeurend op de schouder werd getikt en een sigaar kreeg aangeboden. In de tram wordt een zwartrijder beboet. Iemand steekt ongevraagd zijn kaartje omhoog. Ik wel meneer de controleur; geef hèm maar een flinke, vette boete, leert hij het wel af.

Ik zie hem nog zitten. Rug stijf achterover op de voorste schoolbank onder de lessenaar van meester Stek. Alles hield hij in de gaten. Altijd schoon overhemdje. Slipover met kabelsteek. Hij had zelfs een stropdasje om, dat ettertje. Wimpie van de sluipscheten die daarvan ieder ander de schuld gaf. Behalve meester natuurlijk.

Alles verklikte hij. Niemand was veilig voor hem. Als ik een uur voor straf op mijn knieën voor de klas moest liggen en het halverwege niet meer uithield en even op mijn hielen zakte, waarschuwde Wimpie meester. Meester, Paul gaat op zijn voeten zitten, meester. Van meester kreeg ik dan een gereformeerde schop voor mijn kont. Wimpie grijnsde goedkeurend over zoveel rechtvaardigheid. Leedvermaak.

Toch beken ik dat in sommige gevallen van puur leedvermaak het water me in de mond loopt. Dan kan ik zelfs (ongezien en in het geniep, onder de tafel) in mijn handen wrijven als een door mij verachte schrijver geheel en al de grond wordt ingeboord. (Bijvoorbeeld door dat ventje in Het Parool dat nog steeds in bed piest en dan 's nachts huilend door zijn moeder van een schone luier wordt voorzien. “Huil maar niet hoor Bopje, morgen mag je weer in het gore keukenkastje, waar je het zo lekker vindt ruiken, in het donker je stukje voor de krant schrijven. Je krijgt deze keer een extra zuur ruikend aanrechtdweiltje mee.”)

Tot mijn grote geluk en voldoening vernam ik dat T. van Deel - kunstschrijfprijsverdeler en literatuursergeant-majoor - bij het ontvangen van een slechte kritiek een week lang in een geblindeerde slaapkamer onder de dekens blijft liggen, vervuld van zelfmoordplannen. Daarna waagt hij zich de eerste twee maanden alleen tijdens de duisternis op straat voorzien van een zelfklevend haarstukje, in zijn vrees door deze of gene te worden herkend, of in het ernstigste geval te worden aangesproken.

Oorlog. Hongerwinter. Belcampo woont met vrouw en kindertjes op het 's Gravelandse Veer aan de Binnen-Amstel. Guur weer. IJzel en sneeuw. In de woning is het net zo koud als buiten. Hij had de vorige dag een hele zak tarwe kunnen bemachtigen en die bij een molenaar in de buurt van Purmerend, voor de helft van de inhoud benevens een paar rubberoverschoenen, laten malen. Verderop, bij een jonge weduwe, flirtte hij een flinke kluit boter en tien eieren los. Maar helaas, thuis geen brandstof.

Op straat zeult een man een reuzenbalk van wel zes, zeven meter met zich mee aan zijn fiets. Een landwachter houdt hem staande. Hier helpt geen protest. De landwachter verstopt de balk onder het dekzeil van een schip. Hij fietst er snel vandoor.

De schrijver en zijn vrouw komen in actie. Zwaar of niet, de balk komt in het trappenhuis. Daar kunnen ze heel wat potjes op koken. Alles is heerlijk wat je moest ontberen. Weldra geurt het huis naar pannekoek en overdaad. Wat is het gauw warm als je het zo koud hebt. Daar komt met bakfiets de landwachter. Dekzeil op. Balk weg. Belcampo en zijn vrouw en kinderen duiken onder de vensterbank. Schaterlachen. Ssssst. Niet te hard. Hij zou je nog kunnen horen, de stinkerd. Leedvermaak.