Koopkracht

De afgelopen maand heeft het kabinet betrekkelijk geruisloos overeenstemming bereikt over hoogte en samenstelling van de rijksuitgaven in het volgend jaar.

Desalniettemin is het overleg over de landsbegroting voor 1993 allesbehalve beklonken. Vanaf half augustus moeten de van vakantie teruggekeerde bewindslieden nog met elkaar in de slag over dekkingsmaatregelen die nodig zijn om de boeken van het rijk sluitend te maken. De besluitvorming over de lastenverdeling staat onder zware druk, omdat - zonder nadere maatregelen - de koopkracht van de laagste sociale uitkeringen voor het derde achtereenvolgende jaar met een procent zal dalen, terwijl veel werkenden hun werkelijk besteedbaar inkomen - dus rekening houdend met de inflatie - in 1993 opnieuw zien toenemen.

Ondanks de regeringsdeelname van de sociaal-democraten nemen de inkomensverschillen in Nederland op het ogenblik toe. Nu de eerstvolgende reguliere Kamerverkiezingen (in maart 1994) hun schaduw vooruitwerpen, is er marathonloper Kok en de zijnen veel aan gelegen om aan de groeiende denivellering een halt toe te roepen. De speelruimte voor het voeren van inkomensbeleid is echter drastisch verminderd. Anders dan in de jaren zeventig ontbeert de centrale overheid thans veel daarvoor noodzakelijke wettelijke bevoegdheden.

De afgenomen maakbaarheid van de personele inkomensverdeling inspireert Haagse politici echter niet tot bescheidenheid. Feller dan ooit gaan ministers en de meest betrokken Kamerleden met elkaar in de slag over de koopkrachtontwikkeling in 1993. De uitkomst van dat verdelingsgevecht slaat neer in door beleidsmakers gekoesterde koopkrachtoverzichten. Sinds zulke overzichten de groeiende inkomensongelijkheid illustreren, is het vooral in rechtse kring bon ton om de betekenis van koopkrachtplaatjes flink te relativeren.

Koopkrachtoverzichten gelden inderdaad alleen voor gewone mensen: werknemers met een CAO, ambtenaren en ontvangers van een sociale uitkering. De jaarlijkse verandering van het bruto inkomen van deze groepen valt min of meer te voorspellen, uitgaande van de verwachte stijging van de CAO-lonen en de voorgenomen verhoging van de sociale uitkeringen. Het plaatje laat zien wat er in twee achtereenvolgende jaren gebeurt met het bijbehorende netto inkomen, onder toepassing van de geldende fiscale en sociale wetgeving. Stijgt bij voorbeeld het netto inkomen van het ene op het andere jaar met twee procent bij een geraamde inflatie van drie procent, dan rolt er een koopkrachtverlies van een procent uit de Haagse computer.

Leven burgers in omstandigheden die stroken met de door de rekenmeesters gemaakte veronderstellingen (en werken zij niet zwart), dan toont het koopkrachtplaatje nauwkeurig hoeveel zij dit en het volgend jaar hebben te besteden. Aan deze voorwaarde voldoet een bejaard echtpaar, dat uitsluitend van de AOW moet rondkomen. Het inkomen van de meeste Nederlanders is echter aanzienlijk minder voorspelbaar. Het is onmogelijk een enigszins betrouwbaar koopkrachtplaatje te vervaardigen voor zelfstandigen, hoger kader en directeuren/ groot-aandeelhouders.

Ook de financiële situatie van de meeste CAO-werknemers en die van veel mensen met een uitkering ligt niet vast. Bij voorbeeld omdat mensen van baan veranderen, promotie maken, voor het eerst een auto van de zaak krijgen, door een huwelijk tweeverdiener worden, of met pensioen gaan. De aankoop van een eigen huis kan gepaard gaan met een grote verandering van de woonlasten, die evenmin is terug te vinden in het gemiddelde inflatiecijfer dat bij de koopkrachtberekeningen meetelt.

Uit onderzoek is bekend dat liefst driekwart van alle inkomensveranderingen het gevolg is van de dynamiek in persoonlijke omstandigheden, en dat slechts een kwart afhangt van overheidsmaatregelen in de fiscale en de sociale sfeer. Het koopkrachtoverzicht beschrijft dus slechts een kwart van de inkomenswerkelijkheid. In die zin is er alle reden koopkrachtplaatjes niet te verabsoluteren. Een tweede reden is dat de veronderstellingen van de rekenmeesters niet behoeven te kloppen. Zowel de verhoging van de CAO-lonen als de inflatie is de afgelopen jaren onderschat. Koopkrachtplaatjes behoeven desondanks niet naar de vuilnishoop van de sociaal-economische geschiedenis te worden verwezen. Hun waarde is dat zij - met al hun beperkingen - glashelder laten zien hoe het overheidsbeleid, gesoleerd bezien, de inkomensverhoudingen beroert. Het kabinet behoort in overheidspublikaties echter veel sterker te beklemtonen dat koopkrachtplaatjes slechts een kwart van de volle inkomenswerkelijkheid beschrijven.

De plaatjes voor 1993 tonen koopkrachtgaatjes, door algemeen overheidsbeleid. Daarop mogen de kiezers hun politieke vertegenwoordigers aanspreken en afrekenen. De laatsten zullen vluchten in gladde koopkrachtpraatjes. Die zullen echter niet de gaatjes vullen.