Dirk van Weelden over zwemmen

Zwemsport op televisie, wat is er te zien en waar moet ik naar kijken? De atleten die ik op de startblokken zie stappen zijn volstrekte vreemden: hun lichamen hebben alleen een naam, een nationaliteit en een zwembroek. Ze worden niet omringd door verhalen, interviews en hun imago. Dat maakt het bekijken van hun inspanningen moeilijker.

Op het zwemmerslichaam zit een hoofd. Maar persoonlijke trekken en een uitdrukking zijn er maar moeilijk aan te ontdekken. Ik zie alleen badmutsen en kale hoofden. Hun ogen zijn afgedekt met plastic beschermbrilletjes. Bovendien wordt de zwemsport bedreven volgens wetenschappelijke methodieken, wat ertoe leidt dat de zwemmers een vrijwel identieke lichaamsbouw hebben; daar worden ze op uitgezocht: lang en gespierd en voorzien van aquadynamische, dat wil zeggen platte, billen. Aan de zwemkleding is ook al weinig eer te behalen, die is meestentijds onder water en dus ook al uniform: effen zwart of donkerblauw.

De omroepster zegt dat zwemmers maar eén of twee keer per jaar echt goed zijn. Ze vertelt over de Spartaanse discipline van de trainingsprogramma's en de tyrannieke coaches. Een beetje zwemmer schaaft jarenlang aan zijn techniek. Het zijn mededelingen die de zwemsport nog veel mysterieuzer en onzichtbaarder maken.

Er is nog iets dat de zwemsport aan het zicht onttrekt: water. Daar is iets op gevonden. In Barcelona zijn camera's op de bodem van het olympisch zwembad aangebracht. Die geven ons een goed beeld van de techniek, zonder opspattend water. In een voorbeschouwing op de Duitse televisie was te zien hoe de Spaanse televisiemannen de vinding uitprobeerden. Aan de rand van het bad zat een man die naar een monitor keek en ondertussen een tandrad met een fietstrapper ronddraaide. De ketting dreef een lier aan, die de camera op een rails over de bodem voorttrok.

Inderdaad zag ik later hoe drie dames in het bestek van eén shot boven op de lens doken en met visachtige bewegingen naar de oppervlakte fladderden. Toen gebeurde het. Zodra ze hun eerste zwemslag deden begon de camera mee te rijden. Dat had een wonderbaarlijk effect: de zwemster die zich midden in het kader bevond bleef exact op dezelfde plaats, hoe ze ook zwom en spartelde, hoe formidabel haar beenslag of verfijnd haar techniek. Het krachtig uitblazen van de lucht onder water leverde een prachtig wit wolkje onder hun kinnen op. Al met al een een aanblik die weer veel te kort duurde. Van mij had de volledige race vanaf de bodem van het zwembad gevolgd mogen worden.

De hele zwemsport was in dit shot samengevat: de in het tegenlicht gewichtloze silhouetten van anonieme, uniforme lichamen, die onmenselijk harde trainingen achter de rug hadden om hier die ene dag te vlammen. Een paar minuten van supereffectieve, wetenschappelijk tevoorschijn getrainde spartelbewegingen, die het mogelijk maken dat een mens zich met de snelheid van een sukkeldrafje door het water beweegt.

De schoonheid van dit door de onderwater-camera zorgvuldig opgeheven gezwoeg is alleen voor kenners zichtbaar. Ingewijden kunnen een matige van een sublieme techniek onderscheiden, of zien dat een goede technicus halverwege de race op brute kracht overschakelt. Leken houden de zwemmers niet eens uit elkaar. Sterker, het is vaak moeilijk te zien wie er wint.

Dit alles pleit eerder voor dan tegen de zwemsport. Zelfs met de onderwater-camera en zijn nieuwe perspectief blijft een zwemwedstrijd een gebeurtenis die moeilijk, ja nauwelijks te zien is. Het zwemmen is daardoor eén van de meest abstracte sportuitzendingen die er zijn. De aandoenlijke heldhaftigheid ervan berust op de wanverhouding tussen de geleverde prestatie en wat er van in beeld komt.

Zwemmen is een provocatie aan het luie oog van de televisiekijker. Ik zou uren en uren willen kijken om aan de van onderaf gefilmde beenslag de Hongaar Rosza van Nelson Diebel te kunnen onderscheiden. Ik wil een zwemoog ontwikkelen en leren zien wat nu onzichtbaar is.

Kijkend naar het olympisch zwemmen hoor ik de omroepster vol bewondering spreken over "menselijke vissen' en die verwijzing naar het dierenrijk doet zijn werk. Ik zie een nieuwe sport voor me, paardesport te water, maar dan met dolfijnen. Gezeten op een rubberen zadel vlak achter de rugvin zouden de ruiters hun dolfijnen aan leidsels over boven het water uitstekende hindernissen laten springen, in aquatische springconcoursen. Een feilloze samenwerking tussen dolfijn en mens is, vooral met het oog op de ademhaling van het grootste belang.

Te denken valt ook nog aan dressuur en een hindernisrace à la de Grand National door een langwerpig en meanderend zwembad met tribunes op de oevers. De jockeys moedigen hun dolfijnen niet met zweepjes aan, maar met fluitjes die ultrasone klikken voortbrengen. Ik mijmer over een dolfijnentoto, terwijl weer acht kale apen met veel misbaar door het water ploegen, al hun onzichtbare kracht en onzichtbare techniek in de strijd werpend op weg naar een medaille.