Delftsblauwe harten, bollen en obelisken als tulpenvaas

Bloempotgens met tuyten. Delftse tulpenvazen 1680-1720. Museum Het Prinsenhof, Sint Agathaplein 1, Delft. T/m 6 sept. Di t/m za 10-17 uur, zo 13-17 uur. Vouwblad ƒ 3,50.

Negentiende-eeuwers waren onverbeterlijke romantici. Zij dweepten met Piet Hein en Willem van Oranje en richtten hun huis in in oudhollandse stijl. In gedachten maakten zij de Gouden Eeuw liefst nog een tikje gouder dan ze al was. De geschiedenis heeft dan ook vele mythes aan hen te danken. Een van die mythes is de tulpenvaas. De tulpenvaas moet voor de negentiende-eeuwer wel haast symbool hebben gestaan voor de hele periode: in dit type aardewerk kwam de virtuositeit van de Delftse plateelbakkers samen met dat andere typische zeventiende-eeuwse cultuurverschijnsel, de dwaze tulpenhandel.

Helaas, het symbool moet worden afgeschaft. Wij weten nu dat de produktie van de tulpenvaas pas rond 1680 goed op gang kwam: ruim veertig jaar na het einde van de windhandel in zeldzame tulpenbollen. In de vorige eeuw dacht men dat de bollen tot bloei werden gebracht op de met water gevulde tuiten. Dat leek op de gewoonte om hyacinten te trekken op een glas. Maar die gewoonte kwam pas op rond 1750, juist weer dertig jaar nadat de produktie van tulpenvazen in Delft was ingestort. Wie op de tentoonstelling "Bloempotgens met tuyten, Delftse tulpenvazen 1680-1720' in Museum Het Prinsenhof de vazen goed bekijkt, realiseert zich bovendien dat de tuiten vaak te scheef staan en ook te klein zijn om er een bloembol op te zetten.

Waarvoor dienden de tulpenvazen dan wel? Ronald Brouwer, Leids kunsthistoricus en gastconservator voor deze tentoonstelling, meent dat ze bedoeld waren voor gemengde boeketten. Gek genoeg is er nog weinig onderzoek gedaan naar de zeventiende-eeuwse bloemsierkunst. Wel is bekend dat de samengestelde boeketten op stillevenschilderijen meestal bloemen uit verschillende seizoenen bevatten, en dus meer een geschilderde staalkaart van moeder natuur waren dan een weergave van de direkt waarneembare werkelijkheid.

Volgens Brouwer blijkt uit alle bronnen dat ook de voorkeur voor echte boeketten in de zeventiende eeuw uitging naar samengestelde bosjes. Zo is bekend dat Mary Stuart, echtgenote van stadhouder-koning Willem III, haar tuinlieden op de paleizen Het Loo en Honselaarsdijk bij feestelijkheden de opdracht gaf om ruikertjes van meerdere soorten samen te stellen. En hoe zouden die beter te schikken zijn dan in haar beroemde verzameling Delftsblauwe 'tulpenvazen'? Met gemengde toefjes in elke tuit krijg je al gauw een rijk en vol effect. Een met kunstbloemen opgetuigd exemplaar in een stijlkamer van het museum laat dat zien.

Behalve een handig hulpmiddel bij het bloemschikken, dat onmiddellijk opnieuw in de handel gebracht zou moeten worden, waren de vazen vooral zelfstandige pronkobjecten. De Delftse plateelbakkers waren aan het einde van de zeventiende eeuw zo bekwaam in het nabootsen van het populaire Chinese porselein, dat ze er de meest gekke en moeilijk te maken voorwerpen in konden uitvoeren, van scheerkommen tot vogelkooien. De tulpenvaas was zo'n lastig te vervaardigen voorwerp. In Delft zijn er maar liefst veertig te zien, een representatieve steekproef uit de naar schatting 200 typen die nog in musea berusten. Er zijn er met een hart- of waaiervormig waterreservoir en vijf, negen of nog meer tuiten: maar ook urn- bol- en komvormige, en als klapstuk staan er vazen in de vorm van een obelisk. De laatste hebben door de eeuwen heen de meeste indruk gemaakt: ze zijn soms meer dan een meter hoog en bestaan uit vele stapelbare, nauwkeurig passende elementen met een veelvoud van tuiten en waterreservoirtjes. Ze werden gemaakt met behulp van mallen. De grootste en bewerkelijkste vazen waren alleen voor vorstelijke portemonnees betaalbaar.

Na 1720 verflauwde de belangstelling voor het Delftse aardewerk. Rond die tijd was men ook in Europa in staat porselein te maken, een duurder, maar ook veel harder materiaal. Pas in deze eeuw, in 1962, begon de Nederlandse keramist Jan van der Vaart weer obeliskvormige tulpenvazen te maken: strak van vorm en eenkleurig. Zijn vazen staan samen met een twintigtal andere opgesteld aan het einde van de tentoonstelling. Ze zijn de weerslag van een opdracht die de Haagse galerie Westeinde al voor een eerdere gelegenheid aan hedendaagse keramisten gaf om tulpenvazen te maken. De meeste resultaten zijn teleurstellend. Naast de humoristische negervaas met een tulp tussen zijn tanden (Marijke van Os) zijn er vooral flauwe citaten van de zeventiende eeuw te zien (Marijke Gémessy) of zelfs overduidelijke schatplichtigheid aan Van der Vaart (Theo van der Meer). De negentiende-eeuwers hadden toch gelijk: de Gouden Eeuw valt niet te evenaren.