Bokser Delibas een van de acht "nieuwe Nederlanders' in olympische oranjeploeg; "In mijn hart voel ik me een Turk, een volbloed'

BARCELONA, 28 JULI. Olympisch bokser Orhan Delibas werd toen hij in de lente van 1980 voor het eerst in Nederland op straat liep door drie jongens voor vieze Turk uitgemaakt. Hij verstond het niet, maar begreep precies wat ze bedoelden. Onderweg in de auto van zijn geboorteland Turkije naar Nederland had zijn vader hem opgedragen er meteen op los te slaan als kinderen hem zouden uitschelden of ruzie zouden zoeken. En dat deed Orhan, negen jaar pas, ook. Hij deelde, herinnert hij zich, enkele rake klappen uit. Thuis, in Arnhem, vertelde hij over zijn overwinning en zijn vader was trots. “Mijn vader zei toen: alle Nederlanders zijn bang.”

Het bleef niet bij die ene keer. Delibas vocht regelmatig. Hij groeide op in een Arnhemse wijk waar er regelmatig moeilijkheden waren tussen Nederlanders en buitenlanders. Hij voelde zich vaak vernederd en gediscrimineerd. Orhan Delibas was een agressieve jongen. Daarom stuurde zijn strenge vader (“ik was vroeger bang voor hem, ik kreeg veel klappen”) hem ook naar een boksclub. Dan kon hij zich in de ring uitleven. Dat hielp, maar de culturele tegenstellingen bleven en hij kwam vaak met de mededeling thuis dat hij in de boksring “weer een Nederlander” op zijn donder had gegeven.

Het is nauwelijks voor te stellen dat deze Orhan Delibas nu in Barcelona namens Nederland aan de Olympische Spelen meedoet. De 21-jarige bokser is verleden jaar tot Nederlander genaturaliseerd. Volgens de experts behoort hij tot de oranjekandidaten voor een olympische medaille. “Orhan is sterk, beresterk. Hou 'm in de gaten”, adviseerde collega-bokser Arnold Vanderlijde voor de start van het bokstoernooi. Delibas bewees gisteravond in de eerste ronde van het lichtmiddengewicht (tot 72 kg) al een beetje zijn kracht. Hij won van de stevige Koreaan Ki Soo Choi.

Delibas vindt het ondanks zijn voorgeschiedenis niet vreemd in het tenue van Nederland te boksen. Hij noemt zijn nieuwe thuisland “een paradijs, met goede en slechte mensen. Ik heb geen hekel aan Nederlanders, welnee.” Hij werd gisteren op de tribune in Barcelona gesteund door een kleine groep Nederlanders die “Hup Holland Hup” zong en “hondelul” naar de scheidsrechter riep. Delibas: “Ik vind het leuk als Nederlanders blij zijn als ik succes heb. Maar je bokst toch vooral voor jezelf en niet voor een land. In mijn hart voel ik me Turk, een volbloed. Ik ben ook een moslim. Ik vast niet, maar ik kus bijvoorbeeld wel voor elke partij drie keer mijn schoenen.”

In het hart van collega Miguel Dias (bantamgewicht, 24 jaar) is het zoals hij het zelf uitdrukt “een mengelmoes”. Hij is van oorsprong Kaapverdiaan, maar werd later Nederlander. “Ik voel me misschien iets meer Nederlander. Want ik woon hier als zo lang, sinds 1986.” Dias neemt wel altijd een vlag van zijn vaderland mee in zijn koffer. Die hangt nu over het balcon van zijn appartement in het olympische dorp. “Dat heb ik de jongens in Rotterdam beloofd. Er heeft nog nooit eerder een Kaapverdiaan aan de Olympische Spelen meegedaan.”

De boksers Delibas en Dias zijn, afgezien van de Surinamers en Antillianen, twee van de liefst acht "nieuwe Nederlanders' in de olympische oranjeploeg. Paul Haldan (tafeltennis, van oorsprong Roemeen), Roy Heiner (zeilen, Zuid-Afrika), Irena Machovcak (volleybal, Tsjechoslowakije), Michael Reys (kano, Duitsland), Avital Selinger (volleybal, Israel) en Mandy Stibbe (paardesport, Engeland) zijn de anderen.

Om Nederlander te kunnen worden moet een kandidaat vijf jaar onafgebroken in Nederland hebben gewoond, geen strafblad hebben hebben en een beetje Nederlands kunnen spreken. Dat laatste moet blijken tijdens een kort gesprek met een naturalisatie-adviseur van het ministerie van Justitie of een gemeente. Topsporters krijgen vaak voorrang met de behandeling van hun zaak.

Artitel 10 van de Wet op het Nederlanderschap biedt de autoriteiten de mogelijkheid om van de genoemde regels af te wijken in geval van “staatbelang of gewichtig Nederlands belang”. Volgens een woordvoerder van het ministerie van Justitie wordt daar echter “zeer terughoudend van gebruik gemaakt”. Bij de volleybalster Irena Machovcak is het wel gebeurd. Zij bleef in augustus 1988 na een wedstrijd met het Tsjechoslowaakse nationale team in Nederland achter en amper drie jaar later, op 28 mei 1991, kreeg ze het paspoort van haar nieuwe thuisland binnen. Machovcak zal die datum nooit vergeten. “Ik ben toen opnieuw geboren.” De bijbehorende brief die door de koningin is ondertekend bewaart ze zorgvuldig.

Machovcak voelt zich inmiddels op en top Nederlandse. Voor Tsjechoslowakije als vaderland voelt zij nagenoeg niets meer. “Wel voor de schoonheid van het land, de cultuur, de geschiedenis, Praag, een schitterende stad.” Zelfs met haar oude ploeggenoten uit Tsjechoslowakije heeft ze geen band meer. Ze kwam ze anderhalf jaar na haar vlucht bij een toernooi in Slagharen tegen. “Ze mochten en wilden niet meer met praten. Dat deed pijn. Alleen met mijn beste vriendin heb ik ergens op een toilet gesproken. Na de omwenteling wilde iedereen wel weer contact. Toen hoefde het voor mij dus niet meer.” In het olympische dorp zijn de appartementen van Tsjechoslowakije dicht bij die van Nederland. Behoefte om er naar binnen te lopen heeft Machovcak niet. “Waarom zou ik?”

Irena Machovcak heeft inmiddels ook haar achternaam veranderd. Ze heette oorspronkelijk Machovcakova. “Dat was puur om praktische redenen. Mijn naam was te lang, ging vaak niet op één regel op formulieren en op een pinpasje.” Ze mist bij de Nederlanders soms de discipline die zij in Tsjechoslowakije gewend was. “Nederland is ook te humaan”, zegt zij in uitstekend Nederlands. “Als je ziet wie er zo allemaal Nederlander kunnen worden.”

Het Nederlanderschap is momenteel zeer in trek. Jaarlijks laten ongeveer 15.000 mensen zich naturaliseren. Naar verwachting zal dat aantal in de komende jaren alleen nog maar toenemen. Dat komt vooral door het voorstel van de regering om een persoon voortaan toe te staan naast het Nederlanderschap zijn oude nationaliteit te behouden. Dat zal mogelijk vooral vele Turken, Tunesiërs en Marokkanen er toe doen bewegen Nederlander te worden. Voor hen was het aanvragen van een nieuwe nationaliteit tot nu toe soms een heel gevoelige kwestie omdat familieleden het niet op prijs stelden dat hun zoon en/of kleinzoon op papier zijn vaderland de terug zou toekeren. Bokser Orhan Delibas heeft die problemen niet gehad. “Mijn vader wilde juist graag dat ik Nederlander werd. Hij wil het nu zelf ook worden. Nederlander én Turk.”

Delibas heeft in tegenstelling tot vroeger tegenwoordig weinig meer met gevallen van discriminatie te maken. Van Nederlanders althans niet. Hij wordt wel door sommige, vooral oudere leden van de Turkse gemeenschap uit Arnhem en omgeving, met scheve ogen aangekeken. “Die zien me als een soort landverrader. Dat zeggen ze me niet in mijn gezicht, maar ik hoor dat van anderen en ik merk het heel duidelijk aan hun houding. Ze vinden het vreemd dat ik niet voor Turkije boks.”

Hij is wel diverse malen gevraagd voor zijn land uit te komen. Delibas, opgegroeid tussen de Koerden in de buurt van de grens met Irak en de Sovjet-Unie, voelt zich echter in de maling genomen door zijn landgenoten en nam daarna resoluut het besluit Nederlander te worden. “In 1988 heb ik in de kwartfinale van een toernooi in Hongarije een Turkse bokser twee keer neergeslagen. Daarna beloofden ze me dat ik voor Turkije op het WK voor junioren in Puerto Rico mocht boksen. Ik vertelde iedereen trots dat ik naar het WK ging en ben als een gek gaan trainen. Maar ik hoorde ineens niets meer uit Turkije. Later heeft de voorzitter van de Turkse boksbond nog vier, vijf keer gebeld. Steeds gaf hij mij zijn telefoonnumer, maar ik heb nooit teruggebeld.”

Delibas realiseert zich dat hij als topbokser in Turkije veel meer aanzien zou hebben gehad dan in Nederland. Een groot internationaal succes wordt door de op sportief gebied zeker niet verwende Turken rijkelijk beloond. Een olympische medaille zou Delibas zeker een huis, een auto en de mooiste sieraden hebben opgeleverd. “Maar”, zegt de bokser, “er is ook een andere kant. De begeleiding is slecht in Turkije. Ze behandelen sportmensen heel anders dan in Nederland. Zo lang je niet aan de top staat en geen succes hebt ben je in Turkije niets, helemaal niets.”