Betrokken literaire journalistiek Granta 40. ...

Betrokken literaire journalistiek Granta 40. Penguin, 256 blz.ƒ 30

Olympisch nummer Cape 3, Olympics. Cape (Nilsson & Lamm), 48 blz.ƒ 21,45.

Betrokken literaire journalistiek

Voorzover het Granta betreft kun je niet zeggen dat het engagement de laatste jaren uit de literatuur verdwenen is. De tóón is alleen anders geworden, journalistieker, afstandelijker en koeler. In het laatste nummer, naar een lang openingsverhaal van Richard Ford "Womanizer' getiteld, staan indringende teksten en foto's die ooggetuigenverslagen bieden van de opstand in Los Angeles en de wankele verhoudingen in Zuid-Afrika.

Toch is Richard Rayners reportage over de onlusten in zijn woonplaats Los Angeles net iets méér dan een bijlageartikel voor een goede krant. Daarvoor gaat ze te veel over hemzelf, over zijn angst, woede, verbijstering, en zijn onzuivere gedachten. Zulke "ikkerigheid' misstaat in een krant maar voor een literair tijdschrift gelden andere normen. Nu schiet Rayner streng literair gezien nergens tekort, maar hij geeft ook niks extra's; de artistieke onsterfelijkheid zal hij met "Los Angeles' niet hebben proberen te bereiken. Het artikel illustreert voortreffelijk wat Granta wil: betrokken, goed geschreven journalistieke literatuur. Of literaire journalistiek.

Tegen adviezen van Amerikaanse vrienden in woont de Engelse Rayner midden in de gevaarlijkste buurt van LA. Straten links en rechts om de hoek mijdt hij als vanzelfsprekend, aan crimineel gedrag variërend van vandalistische rotgeintjes (mensenpoep op de autoruit) tot lijken in stille kamertjes ofafvalbakken is hij al aardig gewend. Maar de raciale verschillen leven zo sterk dat de zwart-witte politieauto's "black and normals' heten en de zelfverzekerde "homeboys' van de zwarte bendes op hun beurt de blanken een geweldige angst inboezemen. “Everything about society told them they were worthless, non-people. They had nothing, so they had nothing to lose, something I'd hear a lot of blacks say over the next days.” De rellen braken los na de vrijspraak van agenten die een zwarte automobilist na zijn arrestatie in elkaar getrapt hadden, waarvan de televisie amateuropnamen vertoonde. Een blanke chauffeur onderging kort daarna, uit wraak, hetzelfde lot, wat de televisie alle dertig minuten lang vanuit een helicopter uitzond. In enkele dagen vielen 58 doden, 228 ernstig gewonden, 2383 minder ernstige, 7000 branden braken uit, ruim 3000 winkels werden geplunderd en/of verbrand, wel 20.000 mensen werden gearresteerd. Rayner meldt niet wat vervolgens met hen gebeurde. “The riot had started with a particularly angry focus: race. It had turned quickly into a poverty riot and then, diffused, became interracial anarchy.”

Rayner vergelijkt LA met Zuid-Afrika. “The apartheid wasn't enshrined by law, but by economics and geography, and it was just as powerful. In Los Angeles I was afraid of blacks in a way I had never been. I behaved in a way that would have disgusted me in New York or London. I was a racist.”

Het engagement van André Brink, in "Afrikaners and the Future', zou ouderwets genoemd kunnen worden. Hij is optimistisch en idealistisch, om niet te zeggen naïef. Afrikaners hebben zo veel gemeen met de zwarte Afrikanen, zegt hij, “zoals bleek uit de talrijke contacten tussen Afrikaners en het ANC in de donkere en gevaarlijke jaren toen het ANC nog een verboden organisatie was”; de ultrarechtse Afrikaners zullen heus wel het onvermijdelijke aanvaarden en samen met de zwarten optrekken, ze moeten het "zwaarder wordende maar inspirerende juk van hun verantwoordelijkheid' opnemen.

Niets van dergelijke retoriek bij Nadine Gordimer, van wie een sierlijk kort verhaal werd opgenomen over een groep zwarte bedelende dronkaards op een chique witte campus. De ene na de andere professor deelt na verloop van tijd stiekem een joint of een fles met de stilzwijgend gedulde indringers.

Het openingsverhaal van Richard Ford, "The Womanizer', stelt met al zijn 70 bladzijden langdurig teleur. Het is weinig meer dan een zeurderig verslag van een blauwtje, opgelopen door een Amerikaan in Parijs. De man is dan ook zeldzaam fantasieloos en je vraagt je af hoe hij zijn reputatie als "womanizer' ooit heeft kunnen vestigen.

Paul Theroux, wiens Happy Isles of Oceania - Paddling the Pacific net uit is, publiceert in Granta alvast een stukje uit zijn volgende boek, dat gepland staat voor september. "Lady Max' gaat over Londens literaire kringen, maar werd op de Stille Zuidzee geschreven. Hoofdpersoon is een recensent en romanschrijver, Paul, die buitengewoon veel weg heeft van Theroux zelf. Inclusief sexisme en zelfspot. De eigenschappen die hem volgens een mooie en toch slimme vrouw - Londens literaire hoer - tot "een geniaal auteur' maken zijn “Total megalomania and a nose for what the public likes to read.” Precies Granta.

Granta 40. Penguin, 256 blz.ƒ 30

Olympisch nummer

Het derde nummer van Cape, literair huisorgaan van de Engelse uitgeverij Jonathan Cape, is gewijd aan de Olympische Spelen. Op groot formaat (37x28) mooie foto's en korte teksten.

Fotografen zijn Thomas Wattenberg, fotofinishtechnici, Hans Christian Adam, John Gutmamm, Mark Shearman, en Robert Mapplethorpe, van wie dit najaar een 400 pagina's dikke monografie verschijnt met zijn belangrijkste foto's: bloemen, portretten, stillevens, naakten en de erotische opnamen.

Tussen al dit beeldgeweld hebben het proza en de poëzie het moeilijk. Harold Brodkey en Charles Sprawson bieden tegenwicht met verhalen over respectievelijk de atleet en de zwemmer, Colm Tóibn slentert door Barcelona, en Michael Collins (1964) schreef een zeer Iers verhaal over zijn ervaringen als cross-country hardloper. De loper heeft een verschrikkelijk pijnlijke spierblessure maar zijn coach dwingt hem het modderige veld op - “Self-pity is a bad thing. Ya hear me? You go out dere today and prove yourself a man, for Christ's sake. I thought ya were da boy with da dreams, and here I'ave ta beg a pup like you ta do me a favour.”

Brodkey vergelijkt in "Meditations on an Athlete' sport met seks en met poëzie. “The wider and more controlled repertoire of bodily movements of the true athlete has a tie to the rhythmic intricacies and reoccurrences of patterns and tactics in poetry, but this is immediacy, sweaty and thoughtful and not poetry.” Niet veel sporters zullen zichzelf ogenblikkelijk herkennen in Brodkey's overwegingen. “An entire culture of stretching and flexing comes to flower in a single moment - the mind is set and sparking, part of machine: it is not the philosopher's mind. You are pretty much openly an animal self, anaesthetised and enlarged and violently awake, play after play, bogglingly, tremblingly, strainingly aware.”

Evenmin voor de gewone hardloper of zwemmer zijn de lyrische teksten van Yukio Mishima en Sharon Olds (“I am like those elements my father turned into, smoke, bone, salt”). Zwemmer en duiker Charles Sprawson doorzocht hapsnap de wereldliteratuur vanaf de klassieken op zwemscènes en bleef verliefderig hangen bij de moderne helden, Murray Rose en Johnny Weismuller, en bij modern intimidatiegedrag dat zich voor de wedstrijd in de kleedkamers af schijnt te spelen.

Cape 3, Olympics. Cape (Nilsson & Lamm), 48 blz.ƒ 21,45.