Albanie reddeloos zonder hulp buitenland

Sinds de val van het socialisme in 1990 bleven chaos en onreddering troef in Albanie. In de landbouw gaat het na een vaak gewelddadig proces van privatisering iets minder slecht dan vorig jaar. Maar de industrie in deze armetierige Balkanstaat is op sterven na dood.

Selman Sheshi is een jongeman van ergens achter in de twintig, tanig en een beetje verlegen. Hij is directeur van de staatsboerderij van Gosa, even ten zuiden van Kavaja in het westen van Albanie. Vroeger, zegt hij, was dit een rendabele boerderij, 1800 hectaren. Nu weet ik niet hoe ik de volgende maand moet halen, zegt Selman Sheshi. Nu weet ik niet wat ik moet verbouwen, waar ik mijn spullen moet verkopen en hoe ik mijn werknemers moet betalen.

Gosa is vlak land, niet ver van zee. Een dorpje met lage huizen, zinderend in de zon. Kurkdroog, stoffig land. Broodmagere varkens. Blote kinderen die spelen in de schaduw van een boom. Een boomgaardje met vijgebomen. Een man met een geit aan een touwtje. Achter een schuur vol meloenen scheppen vrouwen met strooien hoeden en hoofddoeken in een wolk van stof graan in een machine die het maalt, een blikken machine die davert en schudt en trilt en elk ogenblik uit elkaar dreigt te vallen. Er staat met grote letters Fortschritt op, een Oostduitse machine, anno nul.

De staatsboerderij van Gosa wordt niet geprivatiseerd, net zo min als de meeste van de 62 andere staatsboerderijen van Albanie. De landbouwcooperaties, die tachtig procent van het landbouwland beslaan, zijn wel geprivatiseerd, zij het moeizaam, met veel conflicten: in Albanie is het afgelopen jaar gemiddeld per dag een moord gepleegd, een onvoorstelbaar record in een vroeger vreedzaam land, en verreweg de meeste moorden hadden van doen met conflicten over de landverdeling. Maar uiteindelijk is het dan toch gelukt, en duizenden keuterboertjes kunnen aan de slag, op hun nieuwe miniboerderijtjes.

De staatsboerderijen worden in augustus zelfstandig, de staat trekt zijn handen van zijn eigendom af, ze moeten zichzelf bedruipen, zelf beslissen wat ze verbouwen, hoe ze hun produkten gaan verkopen, en voor welke prijs. Het zou ook moeilijk zijn dit land te verdelen, zegt Selman Sheshi, want dit land heeft nooit een eigenaar gehad: dit was vroeger moeras, het is in de jaren vijftig onder Enver Hoxha drooggelegd. De werknemers hebben het ook liever niet, ze werken liever in loondienst dan voor zichzelf.

De oude staatsboerderij, vertelt Selman Sheshi, is opgedeeld in twee nieuwe. De ene, die van Bostova, 1200 hectaren, is een joint venture aangegaan met een Italiaans bedrijf, dat er inmiddels voor twee miljoen dollar in heeft gestoken, ze hebben nieuwe machines en tractoren, ze verbouwen groenten, meloenen, tomaten, graan, ze betalen hun werknemers heel goed, drie tot vijf keer zoveel als hier, in Gosa, en ze hebben ook niemand ontslagen. Export, zegt Sheshi, ze werken voor de export.

Hij, Selman Sheshi, is directeur geworden van de tweede boerderij, de resterende zeshonderd hectaren in Gosa. Duizend mensen werken er, ze verbouwen graan, driehonderd hectaren is ingeruimd voor groenten, en we doen aan veeteelt, zegt Selman Sheshi, de verlegen directeur, we hebben 1700 varkens, vierhonderd schapen en honderd koeien.

We zullen het niet redden, zegt Selman Sheshi, niet zonder buitenlandse hulp, niet zonder investeringen. Ik kan nooit concurreren met de boerderij van Bostova, ze hebben betere machines, meer technologie, meer kennis. Kijk naar mijn tractoren, die zijn nog uit Stalins tijd. Ik ben agronoom, ik ben geen econoom. Ik kan mijn mensen vierhonderd tot vijfhonderd lek in de maand betalen, vier tot vijf dollar, zegt hij, maar volgende maand kan ik dat ook niet meer. Vroeger maakten we winst, en negentig procent daarvan verdween naar de staatskas. Nu maken we verlies, en nog wordt dat gedekt uit de staatskas, maar dat is met ingang van volgende maand afgelopen.

Het grote probleem is het wegvallen van de centrale leiding: vroeger bepaalde Tirana alles. Tirana bepaalde wat er moest worden verbouwd, en in welke hoeveelheden, Tirana bepaalde waar de produkten heen gingen en voor welke prijs. Nu moeten we het zelf maar uitzoeken. Hoe? Niemand, zegt Selman Sheshi, heeft mij verteld wat ik moet doen. Wat moet ik verbouwen? Waar moet ik met mijn produkten heen? Wat moet ik ervoor vragen? Ik weet het niet, zegt Selman Sheshi. We hebben contracten nodig, maar met wie sluit ik ze af? Vorig jaar was er een tekort aan meloenen. Iedereen is meloenen gaan verbouwen, en nu is er een overschot aan meloenen. Ik weet niet eens hoe groot mijn verliezen zijn, zegt hij, zulke dingen werden altijd door Tirana uitgerekend. Er zijn geen cijfers, er zijn geen prijzen. Er waren alleen pseudoprijzen hier.

Pag 14: Industrie van Albanie is een museum

De landbouw is altijd de ruggegraat geweest van de Albanese economie. Met bloed, zweet en tranen hebben dertig jaar lang de Albanese boeren het schaarse landbouwareaal uitgebreid, moerassen werden drooggelegd en irrigatiekanalen gegraven en berghellingen veroverd en vervolgens werd die landbouw georganiseerd in straf geleide staats- en collectieve boerderijen. Een extreem gecentraliseerd systeem: Tirana besliste alles. Rechten laat staan beslissingsbevoegdheid hadden de boeren niet. Bezittingen ook niet: zelfs een kip mochten ze niet hebben.

Toen het socialisme viel, met zijn centrale plan, stortte de landbouw in: de directieven vielen weg. Anarchie maakte zich meester van het platteland. Boeren ontmantelden spontaan de cooperaties. Ze namen een stukje land voor zichzelf en gingen er aan de slag voor zichzelf. De rest van het land op die cooperaties bleef braak liggen, in afwachting van de toewijzing door de overheid. Anarchie: zelfs de Botanische Tuin van Tirana werd in bezit genomen, de vrucht van de inspanningen van generaties van Albanese botanici werd domweg bezet door boeren die er schuren bouwden, met hout en stenen die ze uit de scholen en cultuurhuizen stalen.

Overal braken conflicten uit: oude eigenaren eisten hun land terug en raakten slaags met boeren die dat land in de loop van de afgelopen decennia zijn gaan bebouwen. En waar gewerkt werd, werd kleinschalig gewerkt, zonder tractoren, zonder kunstmest, zonder pesticiden. De werknemers die het beheer voeren over het machinepark van de vroegere cooperaties chanteren de boeren met reusachtige huurprijzen. Transport ontbreekt: de weinige produkten die er zijn kunnen niet naar de steden worden gebracht.

Het gevolg was voedselschaarste. Er werd in 1990 al niet meer ingezaaid en de voedselproduktie in dit vroeger voedsel exporterende land daalde in 1991 met vijftig tot tachtig procent. Zonder de duizend ton voedsel uit Italie, die dagelijks onder supervisie van potige Italiaanse militairen in de haven van Durres wordt uitgeladen en die met vrachtwagens van het Italiaanse leger wordt gedistribueerd, zou Albanie een land van hongersnood zijn.

En toch: het gaat beter dan een jaar geleden. Een jaar geleden, toen Albanie de wereld zijn visitekaartje overhandigde in de vorm van het tot de nok met duizenden wanhopige en sjofele vluchtelingen gevulde schip Vlora, stond het land op een dieptepunt: in heel Tirana was geen levensmiddelenwinkel meer open, functioneerde er nog maar een restaurant en was er sprake van honger.

In mei van dit jaar kwam een parlementaire commissie nog tot de conclusie dat de Albanese landbouw “volledig is verlamd”, maar het is onbestrijdbaar dat het met die Albanese landbouw inmiddels wat beter gaat.

Anno 1992 is de voedselsituatie nog altijd precair, maar de markt van Tirana is beter voorzien dan vorig jaar, er is meer te koop, er zijn winkels open en er zijn restaurants waar iets te krijgen valt, zij het voor prijzen die geen Albanees zich kan veroorloven. Er staan nu rijen voor de broodwinkels in de steden; vorig jaar stonden die er niet, omdat er niets te koop was. Er staan niet meer, zoals vorig jaar, vooral wilde bloemen op de velden, er staat nu mais, er staan zonnebloemen, en langs de weg zie je nu boeren die zakken met uien en kleine piramiden van meloenen en manden met tomaten en perziken te koop aanbieden: ook dat is nieuw.

De wanhoop van een jaar geleden heeft plaatsgemaakt voor bezorgdheid over de prijzen met name, want die zijn, na een reeks prijsliberaliseringen, geleidelijk buiten het bereik van de gemiddelde burger geraakt. Die gemiddelde burger verdient als hij werk heeft, en vijftig procent van de burgers heeft geen werk achthonderd tot duizend lek in de maand: acht tot tien dollar. Van de dertig lek die hij per dag te besteden heeft kan hij zich vier eieren veroorloven, of een halve meloen, of drie ons vlees van slechte kwaliteit, of vijf broden maar volgende maand nog maar een brood, want dan stijgt bij de volgende en laatste prijsliberalisering de broodprijs, van vijf tot vijfentwintig lek per brood. Perziken koopt men op de markt van Tirana per stuk, want een kilo kost een dagloon.

De Albanese landbouw krabbelt overeind, langzaam, heel langzaam. Dat kan niet gezegd worden van de Albanese industrie. Hiqmet Rei is het gezicht van die Albanese industrie. Hij is directeur van de enige glasfabriek van Albanie, in Kavaja.

Hiqmet Rei ontvangt ons op de binnenplaats van zijn fabriek, een mooie binnenplaats, met palmbomen en bloeiende oleanders. De fabriek achter hem ziet er minder mooi uit: een gevel van roest en gebroken ramen. Binnen een rune: roestige buizen, hopen glasscherven, dikke lagen grijs stof. De wind heeft vrij spel. De stilte heeft vrij spel. De glasfabriek van Kavaja werkt niet meer, al twee jaar lang niet.

Vroeger, zegt Hiqmet Rei, werden hier per jaar 45 miljoen flessen en 1,2 miljoen vierkante meter vensterglas geproduceerd, twaalfhonderd arbeiders werkten hier, het is de grootste fabriek in het district, de belangrijkste fabriek van het 25.000 inwoners tellende Kavaja. Toen verdween het socialisme, en met het socialisme de centrale planning en de centrale inkoop, en sindsdien is de fabriek gesloten. Er zijn geen grondstoffen, zegt Hiqmet Rei, die moeten uit het buitenland komen, soda en speciale bakstenen voor de ovens, vroeger kwam dat uit Belgie en Macedonie, vroeger werd dat voor valuta door Tirana ingekocht. Nu moeten we zelf die import regelen. En dat kunnen we niet, zegt Hiqmet Rei, want we hebben geen valuta. De regering heeft ons nog een tijdje wat gegeven, aan voorraden, maar dat is ook alweer lang verleden tijd.

Er is een beetje hoop, zegt Hiqmet Rei, de sodafabriek van Vlora schijnt weer te gaan werken, als dat lukt kunnen we weer flessen produceren. Maar zeker is dat nog niet.

Het is een drama voor de arbeiders, zegt hij. Onder de oude, controversiele tachtig-procentswet hebben ze nog lang tachtig procent van hun laatstverdiende loon gekregen. In theorie hadden wij als directie dat moeten betalen, maar dat konden we niet, dus moest de staat dat geld betalen. In mei is die wet afgeschaft: de staat kon niet langer betalen, en sindsdien is de uitkering aan die 1200 arbeiders elke maand gedaald. Nu krijgen ze nog vijftig procent van hun vroegere loon, volgende maand wordt dat veertig procent.

Van vijfhonderd lek in de maand, vijf dollar, kun je niet leven, zegt Hiqmet Rei. Straks zijn alle prijzen vrij, dan is het al helemaal niet meer mogelijk. Nee, de mensen zijn niet boos op de regering, dit is een regering die we zelf hebben gekozen, de mensen begrijpen het wel. Maar het moet niet te lang duren, zegt Hiqmet Rei, de mensen raken uitgeput, de mensen raken gedesillusioneerd. Kavaja is onze heldenstad, Kavaja is het Timicedille soara van Albanie, hier begon de opstand tegen het communisme, we hebben het leger van dat communisme nog verjaagd, in 1990. We zijn democraten, zegt Hiqmet Rei, de regering die we hebben in onze regering. Maar de mensen zijn teleurgesteld.

Door het stilvallen van de glasfabriek van Kavaja is de afgelopen twee jaar in heel Albanie niet een ruit gerepareerd: waar je ook komt, in Albanie, van het centrum van Tirana tot de verste uithoeken van het land, overal kom je gebroken vensters tegen, gesneuveld vooral in 1990, toen het socialisme werd verdreven in rellen waarbij heel wat glas is gebroken en de Albanezen hun woede op de communistische staat koelden met aanvallen op wat die staat had neergezet, op scholen, op overheidsgebouwen. Albanie is een vensterloos land. En dat zal het ook lang blijven.

Het lot van de glasfabriek van Kavaja is het lot van elke fabriek in Albanie: de Albanese industrie ligt volledig stil, soms, zoals Rei's fabriek, sinds twee jaar, soms, zoals die mooie thermo-elektrische centrale waar je langsrijdt als je van Durres terugrijdt naar Tirana, sinds een half jaar. De redenen zijn steeds dezelfde: er zijn geen onderdelen en er zijn geen grondstoffen.

En de vooruitzichten zijn slecht. Toen het communisme aan de macht kwam, in 1944, bezat Albanie geen industrie. Wat er staat is tot 1960 met behulp van de Russen en vervolgens tot 1978 met behulp van de Chinezen opgebouwd. Vanaf 1978 hebben de Albanezen het alleen geprobeerd. In al die jaren is de technologische kloof met het buitenland almaar groter geworden, en anno 1992 is de Albanese industrie een groot industrieel museum: roest, rijp voor de sloop, te verouderd om met investeringen nog op de been te worden geholpen.

Zonder buitenlandse hulp redt Albanie het dan ook niet. In 1991 liep de industrieproduktie terug met veertig procent, dit jaar met nog eens zestig procent. De werkloosheid is opgelopen tot vijftig procent en stijgt dit jaar verder naar zeventig procent. De Albanees moet zien rond te komen van tien dollar per maand als hij werk heeft en de helft daarvan als hij geen werk heeft; zelfs de president van de republiek verdient niet meer dan 22 dollar per maand. En die inkomens dalen, terwijl de prijzen stijgen: de inflatie bedraagt 14 procent per maand. De buitenlandse schuld is opgelopen tot een half miljard dollar, de export is gedaald van 258 miljoen dollar in 1990 tot 120 miljoen dollar in 1991 en tot hooguit 75 miljoen dollar dit jaar. Wat er wordt geexporteerd, wordt op de plaats van bestemming prompt in beslag genomen door banken waarbij Albanie in het krijt staat, zodat het zelfs voor de bescheiden uitvoer geen geld krijgt. En geen geld betekent: geen invoer, geen grondstoffen, geen reserve-onderdelen en dus ook: geen uitkomst voor die stilgelegde Albanese industrie.

Kavaja telt nog een grote werkgever: de tapijtweverij. Ook die ligt stil, zegt directrice Irina Qeraca: hier werd vroeger 3000 vierkante meter tapijt per maand geproduceerd, alles voor de export. Vroeger organiseerde de staat die export, de staat ving ook de opbrengst in valuta, ik heb nog nooit een dollar gezien, zegt Irina Qeraca, ik weet niet eens hoe ze eruit zien.

De staat heeft zijn handen ook van Irina Qeraca's tapijtweverij afgetrokken. De tweeduizend werkneemsters zitten thuis. Ze laat de werklokalen zien: lange rijen weefgetouwen, de halfvoltooide tapijten hangen nog in de touwen, 250.000 knopen telt dit tapijt, zegt Irina Qeraca, vier vierkante meter, twee maanden werk, voor vier vrouwen.

We hebben wel geprobeerd onze tapijten te slijten, in het buitenland, zegt ze, maar de afnemers daar, in Griekenland, Duitsland, in Engeland en Italie, willen geen zaken met ons doen, en we weten ook niet hoeveel we moeten vragen. Vijfhonderd dollar, voor een tapijt als dit? Ik zou het niet weten. Ze is boos: de staat heeft zich rijk verdiend aan ons werk, en nu laat die staat ons barsten. Ik zou wel een joint venture willen beginnen, zegt ze, maar de wetgeving is nog niet eens rond.

Niettemin, de moed heeft ze nog niet opgegeven. Nee, zegt Irina Qeraca, ik blijf hopen, de moed opgeven, dat nooit, als ik de moed had opgegeven had ik me allang in de rivier verdronken.