Zeeuwsvlaams archief vergaat tot stof; Gemeente Oostburg heeft zes ton nodig voor behoud archief

OOSTBURG, 27 JULI. De gemeente Oostburg (Zeeuws-Vlaanderen) heeft dringend geld nodig voor het herstel van haar historische archieven. In totaal is zes ton nodig. Als er geen bijdrage van het rijk komt ziet het er slecht uit voor de geschiedschrijving van dit deel van Nederland.

Het archiefmateriaal verkeert in een armzalige toestand sinds de bevrijding van Zuid-Nederland in 1944, toen veel documenten verbrandden, door water werden aangetast of op straat kwamen te liggen. Veel bezoekers van het gemeentearchief, waaronder nogal wat Amerikanen die in hun "roots' geïnteresseerd zijn, zullen straks tevergeefs komen. Archiefambtenaar E. Heeringa vreest dat tal van stukken, nu nog door bruin pakpapier bijeengehouden, spoedig tot stof zullen zijn vergaan.

De archieven vormen het enige tastbare overblijfel van de geschiedenis van West Zeeuws-Vlaanderen. Van buitenaf is het roemrijke verleden het landsdeel niet aan te zien. Duitse toeristen en een wegens de uienoogst doordringende ajuinlucht domineren nu de sfeer van het gebied. Cultuurhistorische monumenten zijn er nauwelijks omdat vrijwel de hele streek in 1944 door de geallieerde legers is platgebombardeerd. “Men heeft hier meer van de bevrijders dan van de Duitse bezetting te lijden gehad”, aldus Heeringa.

Bij de gemeentelijke herindeling in West Zeeuws-Vlaanderen van 1970 vielen de toen al sterk beschadigde, deels beschimmelde archieven van de negen omliggende plaatsen Breskens, Cadzand, Groede, Hoofdplaat, Nieuwvliet, Schoondijke, Waterlandkerkje, IJzendijke en Zuidzande toe aan de gemeente Oostburg. Vooral het archief van Nieuwvliet, dat loopt van 1630 tot 1945, is er slecht aan toe. Wil Oostburg succes hebben met de in 1989 gestartte "gevecht tegen verval', dan moet alleen al voor het herstel van de Nieuwvlietse dossiers die bij aanraking in stof uiteen dreigen te vallen, zo'n 250.000 gulden worden uitgegeven. Ook voor het archief van Oostburg zelf, waarvan het oudste document uit 1368 stamt, is veel geld nodig. Daarom is de directie cultuurbezit van het ministerie van WVC om een bijdrage van veertig procent in de restauratiekosten gevraagd.

Het belang van de gebeurtenissen in het gebied overstijgt vaak de regionale grenzen. Neem de Vrede van Cadzand in 1492. “Daar spreekt niemand over”, zegt Heeringa een beetje verongelijkt. “Wel over het feit dat 500 jaar geleden toevallig Amerika werd ontdekt.” Met de Vrede van Cadzand vestigde de grootvader van Karel de Vijfde, keizer Maximiliaan van Duitsland, definitief de Habsburgse macht over Vlaanderen. Ook boeiend noemt de archivaris het feit dat in 1685 - toen de Franse koning Lodewijk de Veertiende het Edict van Nantes introk dat de Franse protestanten vrijheid van godsdienst gaf - vele duizenden Hugenoten uit Noord-West Frankrijk zijn weggevlucht waarvan enkele honderden naar Zeeuws-Vlaanderen aankwamen. In de plaatsen Aardenburg, Cadzand, Groede en Oostburg ontstonden toen, net als in Middelburg, Goes en Tholen grote Waalse gemeenten die tot in de negentiende eeuw een bloeiend bestaan leidden. “Daardoor zie je hier nog tal van Fransklinkende namen”, zegt Heeringa, “en kom je mensen tegen met namen als Risseeuw en Lutijn die oorspronkelijk "Rousseau' of "Lutin' heetten”.

In de bedreigde archieven komt men die namen vaak tegen. Zo vermeldt het "poortersboek' van Oostburg (1647-1723) dat op 4 oktober 1688 vijftien "gerefugieerde Fransen' "met opheffinge harer handen' de poorters-eed hebben afgelegd en zo stadsburgers werden. In het bijna uitgestorven Zeeuws-Vlaanderen, dat zwaar te lijden had gehad onder de Tachtigjarige Oorlog, werden de Franse, calvinisten met open armen ontvangen; ze waren ijverig en vakbekwaam en brachten voorspoed. Waardoor het dit landsdeel in mum van tijd stukken beter ging en de belastinginkomsten van de overheid snel stegen.

Het verval van de archieven is niet alleen schadelijk voor de kennis over Hugenoten, die men uit allerlei, ongeordende dossiers moet putten, maar ook voor informatie over andere bevolkingsgroepen. De bevolking van het grensgebied Zeeuws-Vlaanderen is namelijk nooit een homogeen geheel geweest. Al in de 18de eeuw trokken "buitenlandse gastarbeiders', mensen die - net als de Hugenoten - om godsdienstige redenen vervolgd werden, naar het toen gastvrije Nederland. Bijvoorbeeld doopsgezinde families uit Pruisen die op Walcheren en in de streek rond Oostburg terechtkwamen en daar een boerenbestaan vonden.

Niet alle immigranten konden overigens in het lage, door malaria geteisterde land aarden. Een groep lutheranen uit Salzburg verging het slecht te Breskens. Op uitnodiging van de Staten-Generaal kwamen zij in de jaren 1731 -1733 naar Zeeuws-Vlaanderen omdat in Oostenrijk hun vrijheid van godsdienst had verloren. Het leven in hun nieuwe "beloofde land' viel bitter tegen; velen vonden er spoedig de dood, weer anderen keerden terug naar de bergen. Van de Salszburgers die bleven en overleefden, zijn echter ook nu toe sporen te vinden. Vooral in familienamen als Scheele, Hannacher, Eggl en Kurz. Ook over hen spreken de bedreigde archieven in Oostburg.