Wij lijden mee met de patiënten

TIRANA, JULI. Het Chirurgisch Ziekenhuis in Tirana is het belangrijkste ziekenhuis van Albanië. Hier, zegt dr. Tefta Rota, komen de moeilijkste gevallen. Ze staat in de gang waarop de drie operatiekamers uitkomen. Ze heeft haar gasten gevraagd rubberen slippers over de schoenen aan te trekken, het heeft niet zoveel zin, zegt ze, maar doe het toch maar.

Het heeft niet zoveel zin, omdat die gang in het Chirurgisch Ziekenhuis van Tirana geen vensters heeft: de wind waait er zo naar binnen. Wat er in het Albanië van anno 1992 aan vensters breekt, kan niet worden vervangen, omdat de enige glasfabriek van het land al twee jaar lang niet werkt.

Het is in de winter niet eenvoudig, zegt Tefta Rota, en zegt met haar elke arts in elk Albanees ziekenhuis, want elders is het niet anders. Verwarming ontbreekt, en met die open ramen is het overal steenkoud. “Wij rillen. De patiënten rillen. We lijden net zo hard als de patiënten.”

Het zou nog niet zo erg zijn als het het enige probleem van de gezondheidszorg in Albanië was. Maar dat is het niet. De Albanese gezondheidszorg is op sterven na dood. Per week, zegt Tefta Rota, voeren we hier dertig operaties uit. We hebben vijftig bedden voor volwassen patiënten en vijftien voor kinderen. Maar we komen honderd bedden te kort: de wachttijd voor onze operaties, zegt ze, is in sommige gevallen langer dan een jaar.

Gebrek is er aan alles: “Patiënten die hier binnenkomen merken het vanaf de eerste dag. We komen medicamenten te kort. Onze apparatuur is totaal verouderd. We hebben geen pyjama's en geen beddegoed, omdat niet alleen die glasfabriek niet werkt, maar ook de textielfabrieken niet meer werken. Er is geen behoorlijk voedsel, er is geen zuurstof. Er is niks.”

Sommige patiënten, zegt Teta Rota, kunnen we helemaal niet behandelen omdat we er de apparatuur niet voor hebben. Ze laat de operatiekamers zien, Hongaarse apparaten, Chinese, Oostduitse. “Ik kan geen elektrische schokken geven”, zegt Tefta Rota. “Ik kan geen galstenen behandelen. Ik werk hier nu twintig jaar, zegt ze, maar tien jaar geleden was de situatie beter, want toen waren de apparaten tien jaar minder oud, tien jaar minder versleten. Er is in deze tien jaar niets bijgekomen aan apparatuur.”

Het Chirurgisch Ziekenhuis in Tirana ziet eruit als elk ziekenhuis in Albanië: er is een minimum, maar dat minimum is voornamelijk sjofel en armelijk. In de gangen ruikt het intens naar desinfecterende middelen. Die gangen worden bevolkt door patiënten en familieleden, want vaste bezoekuren zijn in Albanië onbekend. Op de overvolle zalen heerst nu een moordende hitte. Moeders wuiven kreunende kinderen met een handdoek wat lucht toe. Hier en daar liggen bloedbevlekte lappen. Verplegers dragen een op het oog halfdood kind op de arm naar een ver bed, waar het onder een vuile handdoek wordt gelegd. Op de binnenplaats van het Chirugisch Ziekenhuis hebben familieleden hun tenten opgeslagen: men zit er op handdoeken in de schaduw van hoge bomen.

Albanië is, waar het de volksgezondheid betreft, voor honderd procent afhankelijk van buitenlandse hulp. Voor een minimaal functioneren is per jaar acht miljoen dollar nodig; het land krijgt hulp voor 2,4 miljoen dollar. Dat betekent in het Chirurgisch Ziekenhuis dat patiënten niet kunnen worden behandeld, dat behandelingen niet kunnen worden afgemaakt en dat bij gebrek aan de juiste medicamenten alternatieve geneesmiddelen worden gegeven die wel voorhanden zijn maar minder goed werken. Nee, zegt dr Tefta Rota, je gaat er niet aan dood, maar het is wel behelpen: we komen de helft van de geneesmiddelen te kort die we nodig hebben, we hebben geen operatiedraad, we hebben gebrek aan rubberen handschoenen, vitaminen, alcohol, aspirine. En voor alles: we hebben geen apparatuur. Van buitenlandse hulp heeft dr Tefta Rota nog niets gemerkt.

Dat is anders in het Ziekenhuis voor Vroeggeboorten, eveneens in Tirana. Over dat ziekenhuis heeft Pharmaciens sans Frontières zich inmiddels ontfermd. Albanië, zegt de Franse arts Serge Barbereau, is met 57 sterfgevallen per honderdduizend geboorten koploper in Europa waar het de kindersterfte betreft. Dat geldt ook voor de vroeggeboorten: er is geen sprake van gezinsplanning en de fysieke gesteldheid van de moeders is vaak abominabel.

Tot februari, toen hij hier kwam, bezat het Ziekenhuis voor Vroeggeboorten drie couveuses van Chinese en Hongaarse makelij. In elke couveuse werden drie of vier baby's gelegd. Nu staan die oude apparaten in een zaaltje achteraf, er zijn twaalf nieuwe couveuses gekomen, nog steeds te weinig, maar vier kinderen per toestel hoeft niet meer, het zijn er nu nog maar twee, of drie. Er zijn nog meer apparaten gekomen, vroeger, zegt de Franse arts, was er niet eens beademingsapparatuur hier.

Het is nog altijd te weinig, zegt een van de Albanese artsen van het ziekenhuis. Kijk naar ons meubilair, stoelen met kapotte leuningen, zitbanken die al tientallen jaren niet zijn geverfd. En we krijgen medicamenten, zegt hij, de hulp maakt veel uit, maar het is niet genoeg, en vaak zijn het de verkeerde geneesmiddelen, ze vragen ons nooit waar we behoefte aan hebben.

Ook hier dezelfde klachten: de ramen zijn stuk en in de winter is er geen verwarming. De stroom valt elke dag een aantal keer uit, er is vaak geen water, er is geen beddegoed. Op de gangen lopen katten vrij rond, soms met hun jongen. En op het platteland, zegt de Albanese arts, is het nog veel slechter. Albanië is een land waar je doodsbang bent om ziek te worden.

Als we weggaan, uit het Ziekenhuis voor Vroeggeboorten in Tirana, blijken bij een snelle blik de medicamenten in een voorraadkast afkomstig te zijn uit de DDR. Ze hebben een weggooitijd die inmiddels al vijf jaar is verstreken.