Wat zou Nederland de wereld voorgetoverd hebben?

Toen destijds Amsterdam werd afgewezen voor de organisatie van de Olympische Spelen in 1992 vond ik dat jammer. Maar een troost was de gedachte dat de wereld daarmee ook verlost zou zijn van een typisch Nederlandse opening van de Spelen. Het loslaten van de duiven in het Amsterdamse Olympisch Stadion in 1928 was een vondst en is sindsdien een vast onderdeel van het ritueel. Maar wat hadden we nu nog aan nieuw moois en zinvols kunnen verzinnen? Het was een niet te beantwoorden vraag.

Zaterdagavond gaf Barcelona het antwoord. De in esthetische eenvoud mooiste en zinvolste nieuwigheid was de Olympische vlag - "de grootste vlag ter wereld ' - die in luttele seconden werd uitgespreid boven de tienduizend deelnemers op het middenveld. De elkaar bestrijdende individuen en de onderling rivaliserende landen bestonden even niet meer, slechts de Olympische gedachte regeerde nog op symbolische wijze in het stadion.

Voor het overige toonden het ceremonieel en het muzikale en theatrale spektakel bijzonder weinig idealisme en samenhang. Van een leidende gedachte voor het geheel was geen sprake, tenzij men de opening bekeek als een mega-variant op de triomfmars uit Verdi's Aida. Er was immers net als in die opera veelsoortige muziek, solistische en massale dans, het oprichten van menselijke piramides, het optreden van acht operazangers èn het opmarcheren van de overwinnaars en de overwonnenen, al moeten de Spelen zelf nog uitmaken wie van de deelnemers in welke categorieën hoort.

Tegen het slot zong Montserrat Caballé hen dan ook een aansporing uit Aida toe: Ritorna vincitor! - Keer terug als overwinnaar! Het was het eind van een medley van voor liefhebbers onverdraaglijke korte stukjes Italiaanse en Franse opera, gezongen door zes Spaanse zangers. Behalve dat het een kwartier durende reclamespot was voor een cd die vanaf vandaag in de platenwinkels waar ook ter wereld ligt, ontbrak verder elke niet-commerciële zin aan dit onderdeel.

Anders dan in ons land mogelijk zou zijn geweest werd de opening beheerst door openlijk vertoon van rivaliteit, regionalisme en nationalisme. De strijd tussen de tenoren Placido Domingo, Alfredo Kraus en José Carreras (die nu opeens op zijn Catalaans Josep heette) die al maanden geleden begon zette zich nu nog gedeeltelijk voort: Kraus zong niet mee in de medley, Domingo maakte een fragment van E lucevan le stelle uit Tosca af, waaraan Giacomo Aragall was begonnen.

Er was ook echt moois te zien, deels in de traditie van het Spaanse modernisme en surrealisme, met verwijzingen naar Miró, Picasso, Dali en Gaudi. Ongelooflijk prachtig en onvergetelijk was de uitbeelding van de stichting van Barcelona door Hercules, waarbij de hemelsblauwe vloer van het stadion veranderde in een golvende Middellandse Zee.

Maar helaas leken de minuscule tv-beelden nauwelijks recht te doen aan dit grootste theater ter wereld. En de commentatoren Jansma en Reitsma bleken wel heel weinig muzikale kennis te hebben. Ook praatten zij vaak te veel over de muziek heen. Het culmineerde in de opmerking van Jansma dat het vuurwerk Beethovens Alle Menschen werden Brüder overstemde, waarmee hijzelf weer het vuurwerk overstemde. Het slot kwam plots en ontnuchterend. En het Amsterdamse Olympisch Stadion moet blijven, want toch zou ik daar ooit wel eens willen zien wat wij de wereld zouden voortoveren.