Spaanse sport moet reuzesprong maken

BARCELONA, 27 JULI. Die twee meter lange jongen die zaterdagavond met de vlag van zijn land voor de Spaanse delegatie uitliep, was de prins van Asturië, kroonprins Felipe. Daarom stonden er een moeder en een zus te springen en te huilen op het erebalkon. Felipe van Bourbon en Griekenland maakt deel uit van de olympische zeilploeg, net als zijn vader destijds in München en zijn oom Konstantijn in Rome. Hij heeft de selectie op eigen kracht en verdienste gehaald, verzekert de nationale zeilbond, maar het is niet waarschijnlijk dat hij uit Barcelona met een medaille zal vertrekken. Voor een opvallend groot deel van de Spaanse equipe ligt dat deze keer anders. Tenminste, daar wordt in Madrid en Barcelona op gehoopt.

Spanje doet aan zijn eigen Spelen mee met een recordaantal atleten. Vijfhonderdachtenwintig om precies te zijn; alleen de equipe van de Verenigde Staten is groter. Maar kwantiteit is vanzelfsprekend niet genoeg. Het is gewoonte dat het gastland een reuzesprong omhoog maakt in de ranglijst van ereplaatsen en in dit geval is dat ook hoog tijd. Voor een staat met de omvang en de pretenties van Spanje is er namelijk tot dusver beschamend weinig gepresteerd. Zesentwintig medailles, waarvan slechts vier gouden, zijn er bij twintig voorgaande Spelen behaald.

Het enige echt opvallende resultaat was het zilver in het basketbaltoernooi van Los Angeles, maar toen deden de Russen niet mee. Hoe gering dat aantal van zesentwintig is, leert een vergelijking met andere Europese landen zoals Engeland (549), Frankrijk (415), Italië (369) maar ook Zweden (430), Zwitserland (144), Denemarken (143) en zelfs Nederland (125). Spanje staat op een zevenendertigste plaats in de olympische ranglijst aller tijden, in de buurt van Egypte, Jamaica en Iran.

De Spelen van Barcelona moeten in deze onterende toestand met één klap verandering brengen. Daarom is in 1987, meteen na de aanwijzing van Barcelona, een ambitieus programma opgezet om de Spaanse sporters de twintigste en als het kan liefst ook al meteen de eenentwintigste eeuw binnen te voeren. Want alleen de vertrouwdheid met het woelige water in de haven van Barcelona of het gras van Nou Camp is niet voldoende om de competitie de komende twee weken het hoofd te bieden. Het hoofdstuk "topsport' in de begroting van het ministerie van sportzaken is tot onherkenbaar omvangrijke proporties opgeblazen en het bedrijfsleven heeft daar de afgelopen vijf jaar in het kader van het plan ADO (Asociacion Deportes Olimpicos) negen miljard peseta's (ruim zeventien miljoen gulden) bijgelegd. Met dat geld zijn beurzen aan topsporters gegeven, buitenlandse trainers aangetrokken (de kroonprins heeft een Belg) en installaties op peil gebracht. De inspanning zou volgens de meest optimistische voorspellingen moeten resulteren in vijfendertig medailles voor Spanje.

Javier Gomez Navarro, voorzitter van de nationale sportraad en vice-voorzitter van het organisatiecomité van de Spelen, houdt het voorzichtig op vijftien, om zijn beschermelingen niet al te zeer onder druk te zetten. Toen hij het ADO-programma inaugureerde noemde hij echter twintig als realistisch streefgetal. Het Amerikaanse tijdschrift Sports Illustrated, dat in ieder geval niet van pro-hispanisme kan worden beticht, acht op grond van de seizoensresulaten twintig medailles waarschijnlijk. De acht eerste plaatsen die in de pré-olympische analyse van het blad genoemd worden, vallen niet alleen in sporten waarin Spanje traditioneel sterk is, zoals kanoën, zeilen en tennis. Ook met de handbalselectie, de wielrenners, de zwemmers en de judoka's moet deze keer rekening worden gehouden. Voor de zekerheid hebben de Amerikanen het voetbalteam ook maar een gouden medaille omgehangen. Maar hoewel Spanje afgelopen vrijdag tegen Colombia een sterke indruk maakte en met 4-0 won, is het olympische toernooi in deze sport toch vooral een loterij.

Wie bij Spaanse journalisten te rade gaat, krijgt nog een paar namen van kanshebbers aangereikt die huns inziens onterecht over het hoofd worden gezien. Zij noemen bijvoorbeeld de 1500 meter-loper Fermin Cacho als een serieuze kandidaat voor het erepodium op grond van zijn vijfde plaats tijdens het WK in Tokio en zij wijzen op de snelwandelaars Massana en Plaza, de zwemmer Sergi Lopez, de gymnaste Eva Rueda, de vrouwelijke hockeyers en de basketballers.

De mannelijke collega's in deze laatste tak van sport, die in Spanje bijna zo populair is als het voetballen, kunnen zelfs volgens hun meest verstokte fans een plaats op het erepodium wel vergeten. Niet alleen omdat de Sovjet-Unie in verschillende kanshebbers uiteen is gevallen, maar ook omdat de sporters er zelf niet erg veel zin in lijken te hebben. Een week voor het begin van de Spelen dreigden ze nog met een staking en gisteravond verloren ze voor het eerst in de geschiedenis van Duitsland (83-74).

Verschillende sportbonden hebben in het afgelopen jaar hun ambitieuze selectiecriteria een beetje versoepeld, vermoedelijk met het idee dat je op het moment suprème voor het thuisfront op het extra beetje inspiratie mag hopen dat tijdens de voorbereiding nog niet aanwezig was. Toch zijn er een paar opvallende afwezigen in Barcelona, zoals de zeiler José Luis Doreste, de enige Spaanse gouden-medaillewinnaar in Seoel, die in de Finn-klasse is voorbijgestreefd door de Spaanse Nederlander José Maria van der Ploeg. De beste Spaanse tennisser van het moment, Carlos Costa, wilde niet meedoen omdat hij daarmee de plaats van zijn vriend Jordi Arrese, die over vier jaar te oud is, in gevaar zou brengen. Arantxa Sanchez Vicario is er natuurlijk wél bij in haar geboortestad en zou, afgaande op de wereldranglijst, zilver in het enkelspel en goud in het dubbel, samen met Conchita Martinez, moeten winnen.

Voor de wereldsterren op tennisgebied maakt het niet veel uit, hoe het sportbeleid van de Spaanse overheid zich na de Spelen verder ontwikkelt. Maar voor de niet-professionele sporters knaagt er nu al een onbehaaglijke onzekerheid. Gomez Navarro moet bekennen dat na het aflopen van ADO over de plannen voor de volgende vijf jaar nog nauwelijks iets zinnigs valt te zeggen. Vorige week heeft het kabinet beslist dat er ook in Spanje zeer ingrijpend op de publieke uitgaven gaat worden bezuinigd en dat de topsport na 10 augustus nog topprioriteit bezit is niet waarschijnlijk. Het is als met zoveel van de grote evenementen die dit jaar in het land worden georganiseerd. Ze verlopen vlekkeloos en wekken de bewondering van de hele wereld, maar veel burgers vrezen dat de inspanning tijdelijk is en het resultaat kortstondig. Of Spanje werkelijk een hogere plaats op de lijst van olympische landen verdient, valt dus eigenlijk pas na de Spelen van Atlanta vast te stellen.