Rome wil nu meer dan loze beloftes in strijd tegen mafia

ROME, 27 JULI. In de week na de brute mafia-aanslag op rechter Paolo Borsellino heeft het Italiaanse kabinet een aantal maatregelen genomen die duidelijk maken dat de plechtige uitspraken over een harde aanpak van de mafia geen loze beloftes zijn.

Gezien de diepe wortels van de mafia in Sicilië, haar enorme financiële macht, haar leger van moordenaars en haar banden met een aantal politici en rechters is er geen direct succes te verwachten van deze maatregelen. Zij zijn niet meer dan het begin. Maar na jaren van nietsdoen is dit een welkome verandering.

Met zijn besluit om zevenduizend militairen naar Sicilië te zenden erkent het kabinet toe dat er in Sicilië “een burgeroorlog” aan de gang is, schreef La Stampa gisteren. In deze burgeroorlog heeft de overheid nu duidelijk en onmiskenbaar partij gekozen. Dat daar na de aanslag van twee maanden geleden op Giovanni Falcone nog een moord voor nodig was, is triest, maar dit kan niet worden toegeschreven aan het huidige kabinet, dat net een maand in functie is.

De afgelopen week zijn enkele honderden gevangen mafiosi van Palermo overgebracht naar zwaar-bewaakte gevangenissen elders in Italië. Zo wordt het moeilijker voor hen om vanuit hun cel orders te blijven geven.

Verder heeft het kabinet zijn politieke leven verbonden aan het pakket anti-mafiamaatregelen. Ook deze maatregelen, inmiddels goedgekeurd door de Senaat, zijn een forse stap in de goede richting. De armslag van politie en justitie wordt aanzienlijk vergroot. Voor gearresteerde en veroordeelde mafiosi zal een strenger gevangenisregime gelden en een simpeler bewijsvoering dan voor "gewone' misdadigers.

Een advocaat in Palermo die veel mafiosi heeft verdedigd, protesteerde fel dat de nieuwe regels neerkomen op een bij-voorbaat-schuldigverklaring van mensen die van mafiose activiteit worden verdacht, en hij bestond het zelfs om ze te vergelijken met de anti-joodse wetgeving in Hitler-Duitsland. Lang heeft de gedachte dat mensen die van mafia-activiteit worden verdacht, dezelfde rechten moeten hebben als "gewone' misdadigers, de strijd tegen de mafia bemoeilijkt. Nu zijn er steeds meer signalen dat het kabinet bereid is op het randje van de grondwet te balanceren om de mafia hard te kunnen aanpakken.

Het duidelijkste signaal dat op Sicilië sprake is van een uitzonderlijke situatie waarvoor speciale regels gelden, is het kabinetsbesluit om zevenduizend militairen naar het eiland te sturen. Zij zullen helpen bij het patrouilleren en bij zoekacties naar voortvluchtige mafiosi, ze zullen wegversperringen oprichten voor controles en hebben zelfs de bevoegdheid gekregen mensen aan te houden - alles overigens onder uiteindelijk gezag van de politieprefect in Sicilië. Eventuele arrestaties worden door de politie verricht.

Falcone heeft steeds gezegd dat de controle over het gebied een van de belangrijkste doelen van de mafia is, en alleen al daarom moet de komst van de militairen worden toegejuicht. Een van de grote klachten van mafiabestrijders is dat de staat op veel plaatsen niet zichtbaar aanwezig is omdat er te weinig politie-agenten zijn.

Veel zal afhangen van de manier waarop deze militairen worden gebruikt. De inval vorige week van parachutisten in het dorpje Corleone, de thuisbasis van Totò Riina, de belangrijkste voortvluchtige mafialeider, leek vooral bedoeld voor de tv-camera's. Dergelijke voorspelbare acties hebben weinig zin. Maar de inzet van zevenduizend soldaten naast de tienduizend politie-agenten op Sicilië kan wel degelijk succes hebben, als ze op een systematische manier worden gebruikt.

Pino Arlacchi, de belangrijkste mafia-deskundige van Italië, heeft er vorige week nog op gewezen dat er veel bekend is over de mafia en individuele mafialeiders, maar dat alleen vaak de middelen en de politieke wil hebben ontbroken om haar aan te pakken. En Leoluca Orlando beweerde dat als een handjevol agenten de vrije handen zou worden gelaten, ze “binnen vier dagen” zouden terugkomen met Totò Riina en Nino Santapaolo, een andere belangrijke voortvluchtige mafialeider.

De inzet van het leger is niet genoeg. Burgemeester Aldo Rizzo van Palermo, een ex-rechter die onder druk van president Scalfaro zijn besluit om af te treden heeft herzien, heeft terecht gewezen op de traditionele geheimhoudingsplicht en geslotenheid binnen de mafia. Een goed-uitgevoerd justitieel onderzoek heeft dan zeker zoveel zin als een klopjacht door het leger, zei hij. Daarvoor moet het tekort aan onderzoeksrechters in Sicilië worden opgeheven, iets wat minister van justitie Martelli al in het voorgaande kabinet heeft geprobeerd. Maar het een sluit het andere niet uit. Hoe meer fronten waarop de mafia wordt bestreden, des te beter.

De komende tijd moet blijken of het momentum tegen de mafia gehandhaafd kan worden. Binnen de rechterlijke macht is alweer verzet zichtbaar. Giovanni Galloni, de vice-voorzitter van de CSM, de raad die de rechterlijke macht bestuurt, heeft gezegd dat eigenlijk geen superprocureur nodig is, een speciale afdeling van het openbaar ministerie tegen de mafia.

Het zenden van militairen naar Sicilië heeft herinneringen opgeroepen aan de legendarische prefect Cesare Mori, die in 1924 door de fascistische dictator Benito Mussolini naar Sicilië werd gestuurd om de mafia aan te pakken. Mori deinsde er niet voor terug om een dorp waar een gezochte mafialeider zich ophield, te belegeren en de watertoevoer af te snijden. Hij was ook degene die voor het eerst op het idee kwam om gevangen mafiosi op een eiland te zetten.

Het optreden van de “ijzeren prefect” Mori en zijn soldaten is vaak aangevoerd als een teken dat de mafia effectief kan worden bestreden. Maar in 1929 riep Mussolini Mori terug naar Rome en maakte hem senator, een soort vervroegde pensionering: Mori was te dicht in de buurt gekomen van de banden tussen de mafia en een aantal politici in de Italiaanse hoofdstad. De komende maanden moeten duidelijk maken hoever president Scalfaro en minister Martelli, wier notering op de dodenlijst van de mafia met stip is gestegen, durven te gaan.