Omfloerst pianospel van Tan

Concert: Zomerconcerten, Melvyn Tan, fortepiano. Programma: Beethoven: Sechs Bagatellen, opus 126 en Sonate in Es, opus 27, nr.1; Mendelssohn Vijf "Lieder ohne Worte'; Schubert: Sonate in A, D664. Gehoord: 26/7 Grote Zaal Concertgebouw, Amsterdam.

Onder de titel Bagatellen heeft Beethoven in verschillende periodes van zijn leven 24 kleine pianostukken gepubliceerd, waarvan de vorm en inhoud zo verdicht zijn dat ze als muzikale aforismen kunnen worden aangeduid. Zelf beschouwde Beethoven zijn Sechs Bagatellen, opus 26, de allerlaatste pianowerken die hij componeerde, als “het beste dat ik in dit genre geschreven heb”.

Op een Weense Johann Fritz-vleugel uit 1825, afkomstig uit de verzameling oude instrumenten van Edwin Beunk in Enschede, gaf pianoforte-specialist Melvyn Tan een overwegend lyrische lezing van de Sechs Bagatellen, opus 26 ten beste, waarin een omfloerste toonvorming, honingzoete fraseringen en excentrieke rubati Beethoven's heldere en kernachtige spanningsopbouw teniet deden. Tan bleef steken in oppervlakkig pianistisch raffinement, zodat het beoogde contrast tussen bijvoorbeeld het zangerige Andante in G en het markante Presto in b nauwelijks tot uitdrukking kwam.

Overtuigender klonk daarna de Sonate in Es, opus 27, nr.1, waarin Beethoven de conventionele grenzen van de sonatevorm met behulp van improvisatorische vrijheden trachtte te verleggen. Evenals de beroemde "Mondscheinsonate', opus 27, nr.2, kreeg de Sonate in Es, opus 27, nr.1 de ondertitel "quasi una fantasia' mee. In plaats van het openingsdeel heeft Beethoven nu de finale in sonatevorm geschreven, waarmee hij het zwaartepunt van het werk naar het einde verplaatste, en de vier delen lopen met een "attaca subito' zonder pauze in elkaar over. Maar al speelde Tan de Sonate in Es, opus 27, nr.1 verzorgd en melodieus, ook hier was zijn palet aan klankkleuren en dynamische schakeringen weliswaar esthetisch verantwoord maar muzikaal veel te weinig genuanceerd, met een eentonige in plaats van verrassende Beethoven tot resultaat.

Mendelssohn dankte zijn faam als pianist aan zijn frisse en glasheldere interpretaties, waarbij zijn voorkeur voor pittige tempi hem zelfs tijdens het spelen van zijn Lieder ohne Worte behoedde voor een overmaat aan dweepzucht en sentimentaliteit. Tan opteerde echter voor gematigde tempi en uiterst vrouwelijke fraseringen, zodat zijn Mendelssohn het dubieuze niveau van de salonmuziek "für die Damen' ten onrechte niet te boven kwam.

Daarna zorgde Tan tijdens zijn subtiele interpretatie van Schubert's Sonate in A, D664 toch nog voor een hoogtepunt. In dit lyrische werk wist hij de delicate klankmogelijkheden van zijn oude instrument volledig te benutten. Tan interpreteerde de Sonate in A met een sprookjesachtige verfijning, zodat Schubert behalve zangerig ook sprankelend, spiritueel en ontroerend klonk.