Miguel Indurain en de gele kwestie: leven en laten leven

Wanneer alles zo geel zou zijn als de hoofdsponsor wil, dan zou de Tour de France één grote reclameboodschap zijn. Dan zou de commercie de sport in de spannendste sportwedstrijd van het jaar vernederen tot een marginaal verschijnsel. Hoe agressief en aanstootgevend een sponsor zich kan opdringen, maakten de gele meisjes met hun gele leeuwtje en hun gele lach de afgelopen drie weken regelmatig duidelijk. Wanneer een van de meest imposante atleten van deze tijd, Miguel Indurain, tijdens een tv-interview besprongen dient te worden door lachende en stralende gele meisjes alsof zij zijn minnaressen zijn, dan is de Tour de France een prostituée geworden.

De Société du Tour de France heeft geld nodig om in leven te blijven, ze moet haar lichaam verkopen om alle betrokkenen in leven te houden. Zonder geldschieters met internationale allure schijnt dat niet meer mogelijk te zijn. Wanneer het iedereen behaagt dat er elk jaar een Tour de France wordt gehouden, dient de organisatie te flirten met kapitaalkrachtige ondernemingen, zegt ze. Maar de manier waarop huidige wedstrijdsponsors menen zich te moeten uiten, dreigt niet alleen de laatste mogelijkheden van ploegsponsors om hun naam uit te dragen te verdringen, maar getuigt ook van weinig respect voor de sportman.

De afgelopen week zette de ploegleiding en sponsor van Indurain de Tour-directie even onder druk om de opdringerige gele meisjes in toom te houden ten einde haar eigen sponsornaam ook te kunnen tonen. Een paar dagen had de kritiek succes. Maar naar mate duidelijk werd dat Indurain de Tour-zege niet meer kon ontgaan, kreeg de gele sponsormeisjes weer alle ruimte. Het leek op een voorlopig compromis tussen de protestvoerders, de sponsor en de organisatie.

De gele meisjes deden weer alsof ze Indurain bewonderden, omdat hun baas daar winst in ziet. En Miguel Indurain Larraya, de gouden jongen uit Spanje, deed mee. Want wat kon hem nu nog gebeuren? Als je zo hoog verheven bent boven de wereld van de Tour. Het was alsof hij de levenswijsheid van zijn ploegleider Echavarri symboliseerde: Leven en laten leven. De filosofische spreuk is niet van Echavarri, maar van Jacques Anquetil, de vijfvoudige Tour-winnaar met wie de Spanjaard in diens laatsje actieve jaar 1969 samenreed in de Bic-ploeg. Echavarri ontdekte achter het monster monsieur chrono een zachtaardig mens. Met hem vergelijkt Echavarri Indurain, even aimabel en ondoorgrondelijk, even superieur in tijdritten als wijlen Anquetil.

De gereserveerde houding die Indurain uitstraalt als hij fietst, is maar voor een deel de zijne. Echavarri heeft hem die geleerd. Indurain heeft de kracht en de macht zijn tegenstanders te vernederen, maar laat dat vaak wijselijk achterwege. Het heeft geen zin de concurrentie te prikkelen door ze te kleineren.

Zachtaardig als hij is liet Indurain zich in de recente Giro meeslepen door het verdriet van Chiappucci, nadat hij hem in de afsluitende tijdrit in Milaan voor eigen volk had ingehaald, vernederd. Dit zou hem niet meer snel overkomen. Vrijdag in de tijdrit naar Blois was Chiappucci bijna weer het slachtoffer. Opgelucht keken beiden terug, Chiappucci gecamoufleerd door zijn clownsmasker, Indurain verborgen achter zijn pokerface. Als Indurain zichzelf op de video terugziet, dan herkent hij zichzelf niet, dan verbaast hij zich over het gemak waarmee hij fietst. Want hij is als de anderen: hij heeft pijn in zijn benen, een brandende borstkas en is in de bergen ook wel eens van plan een paar honderd meter af te stappen.

Goed, hij is sterk. Van nature, geperfectioneerd door fysiotherapeut José Luis Pascua, die Delgado in zijn beste tijd bijstond, door de ex-conditietrainer van Real Madrid Nicolas Garote, en sinds 1987 door de Italiaanse inspanningsfysioloog Michele Ferrari, de assistent van de beroemde Conconi. Maar een strenge leider is de 28-jarige boerenzoon uit Villava allerminst.

Dat zal hem een zorg zijn. Welke persoonlijkheid zou trouwens wel in staat zijn geweest het op hol geslagen peloton te controleren? In zowat elke etappe reden de renners in recordtempo van start naar finish. Tijdschema's om onder meer televisiemaatschappijen en sponsors op het juiste moment aan hun trekken te laten komen, werden in de war geschopt. Na een ongelooflijk hoog gemiddelde van 39.504 kilometer per uur bereikte Indurain Parijs, voor het eerst in de historie boven de 39. Het oude record werd in 1981 gevestigd. Toen haalde de winnaar een gemiddelde van 38.960 kilometer per uur. (Panorama d'un siècle van Jacques Augendre, de officiële Tour-informatie). Snelste was toen Bernard Hinault, een leider, de antipode van Miguel Indurain.

Geanimeerd door de aanvalslust van Italiaanse ploegen (met name Chiappucci en de Carrera's) en op de vlucht voor de dreigende werkeloosheid sprongen de renners als gelanceerd door een katapult uit het peloton. Dat de meesten (130 van de 198, vorig jaar 150) de strijd volhielden, is verbazingwekkend. Dat de Colombianen uit de wielen werden gereden, is pijnlijk. In de Alpen was geen Colombiaan, toch aanvalslustige klimmers, zelfs maar in staat te volgen. De helft staakte de strijd. Dat de Tour zonder Pyreneeën kan, geen vijf bergetappes nodig heeft, werd al in de eerste twee ritten aangetoond. Des te meer bergen, des te meer passiviteit.

De Nederlanderse klassementsrenners konden het tempo bijbenen. Maar meer dan dat was er niet voor Breukink, Theunisse en Rooks weggelegd. Ze stelden niet eens teleur. Ook Breukink niet, gezien de ontwikkelingen aan de wielertop, hoe chauvinistisch men in Nederland tijdens Tour-dagen ook dreigt te worden. Geruisloos, maar niet helemaal onverwachts, diende zich daarentegen in Eddy Bouwmans een Tourrenner aan die, indien zijn tijdrit verbetert, in de toekomst hoog in het klassement kan eindigen. Met een veertiende plaats in het klassement scoorde de 24-jarige Brabander hoog bij zijn debuut, getuige de eerste plaats in het jongerenklassement. Daarmee trad hij in de voetsporen van Lubberding, Winnen, Van der Velde en Breukink.

De angst dat schermutselingen tussen het kamp van Post en dat van Raas kandidaat-ploegsponsors afschrikt, is begrijpelijk. Maar van de andere kant getuigde de ophef van verontwaardiging. Betrokkenen gingen hand in hand met de media om het pokerspel op te kloppen tot een onuitwisbare schande, die dieptepunten bereikte met kwalificaties als "de dood voor de wielersport'. In andere koersen dan de mediagenieke de Tour de France zouden renners als Maassen en Nijdam zich niet zo hebben aangesteld, niet in het zicht van de tv-camera de show hebben kunnen maken. In andere wedstrijden zou het uit sportoef oogpunt toch puur tactische conflict niet zo zijn overbelicht. Dan zouden Raas en Post niet "vrede' gesloten (waar en wanneer is niet eens bekend gemaakt) als een tegemoetkoming aan de oude en eventueel nieuwe sponsors, om wille van de publieke opinie, om de pers het zwijgen op te leggen.

Zo zal het altijd blijven, zo is het altijd geweest. Rond de eeuwwisseling ontstond de Tour de France uit de concurrentiestrijd tussen Franse sportbladen. Liefst dertien sportkranten streden in die tijd om te overleven. De grootste ervan was le Vélo, dat als eerste inhaakte op de stijgende populariteit van wielerwedstrijden en zelf ook marathonwegwedstrijden ging organiseren. Onder leiding van hoofdredacteur Henri Desgrange lanceerde het blad l'Auto het plan de sportlezers aan zich te binden door een Tour de France voor wielrenners te houden. Op 1 juni 1903 werd de eerste Tour gereden. De wedstrijd bleek een succes en de oplage van l'Auto (het latere l'Equipe) steeg van 30.000 naar 65.000 lezers per dag. Daarmee bewees de eerste Tour al z'n zakelijke succes. In 1919 introduceerde Desgrange op aandringen van de wielerjournalisten de gele trui, de leider moest beter herkenbaar zijn. De kleur werd geel, omdat het de kleur was van het papier van l'Auto.

AC Milan tegen Inter Milaan, Feyenoord tegen Ajax, Celtic tegen Glasgow Rangers, Chiappucci tegen Bugno, Panasonic tegen Buckler, sport is rivaliteit. Zonder stammenoorlogen zou topsport saai zijn, nauwelijks topsport zijn. De dood voor de wielersport? Toen Theunisse in de Tour van 1988 werd betrapt op doping, werd hij spontaan gekruisigd. Maar op het eerste de beste criterium werd hij op een landauwer als een martelaar, misschien wel een held, rondgereden. Als deze week Sergeant, Maassen en Colotti of Nijdam en Zdanov in welk criterium hun opwachting maken voor hun uitgestelde sprint - en welke organisatie zou daar niet een paar duizend gulden voor willen uittrekken - komen er meer toeschouwers dan ooit.

Wielersport is het algemeen en de Tour in het bijzonder is amusement, volksvermaak. San Sebastian danste mee met Indurain, Valkenburg stond op stelten, Sestrières raakte in de war en Alpe d'Huez werd gek. Een paar uur voordat de renners de alp zouden beklimmen, blokkeerden auto's van supporters de weg. In de Ronde van Spanje wordt de berg om de nacht tevoren afgesloten voor auto's, in de Tour de France mogen politieagenten zich alleen verbazen over zoveel waanzin.

Als de renners zich dan eindelijk een weg hebben kunnen banen door de hysterische toeschouwerskudde, worden ze belaagd, betast, besprenkeld, en geduwd. Natuurlijk, wie wil niet de helden van de weg aanraken? Dat vroegtijdige afsluiting van de berg voor auto's en dat dranghekken kunnen voorkomen dat de wedstrijd wordt ontregeld, is misschien wel eens in de hoofden van de organisatoren opgekomen. Maar van treffende maatregelen is nog geen sprake geweest. Complete chaos trekt kennelijk meer aandacht. Evenals de valse lach van te gele sponsormeisjes.