Het morele separatisme van Havel

Half verscholen achter de burgeroorlog in Joegoslavië valt nu ook Tsjechoslowakije uiteen in rivaliserende delen. Het constrast tussen beide gebeurtenissen is oogverblindend; over de woelingen tussen Praag en Bratislava maakt niemand zich dan ook werkelijk druk. Zo geweldloos als de revolutie van november 1989 was, zo zachtmoedig scheiden zich nu de wegen. De internationale gemeenschap kijkt toe, betuigt op een rituele manier spijt en wendt zich vervolgens weer naar de werkelijke brandhaard op de Balkan.

Toch is er niet zo heel veel fantasie nodig om de risico's van deze nieuwe boedelscheiding in Oost-Europa te doorzien. Het volstaat om te verwijzen naar de uitlatingen van de Slowaakse premier Meciar over de Hongaarse minderheid in zijn land: “Het nauwelijks verbloemde scenario van Hongarije bestaat uit het verkrijgen van territoriale autonomie voor deze minderheden om vervolgens door uitoefening van het recht op zelfbeschikking over te gaan tot annexatie” (Le Monde, 7 juli). Daarmee zijn de omtrekken van een toekomstig Hongaars-Slowaaks conflict getrokken en wordt de betrekkelijke onverschilligheid waarmee het uiteenvallen van Tsjechoslowakije in het Westen wordt bekeken, al moeilijker te begrijpen.

Dat geldt ook voor de haast laconieke manier waarop de Tsjechen momenteel het separatisme van hun voormalige landgenoten bejegenen. Van het begrip dat president Havel in het najaar van 1990 nog toonde, is niet veel meer over. Toen verklaarde Havel in een toespraak voor het federale parlement nog: “... het totalitaire centralisme smelt in het Slowaakse bewustzijn samen met het federalisme, en hun streven om een maximum aan bevoegdheden over te hevelen naar het niveau van de republieken is eigenlijk tevens een uitdrukking van hun streven zich te bevrijden van het korset van het centralisme” (opgenomen in: Angst voor de Vrijheid, redevoeringen van een president, Van Gennep 1992).

Het begrip en de behoedzaamheid van toen hebben inmiddels plaatsgemaakt voor ongeduld en zelfs een zekere gretigheid aan Tsjechische kant om nu dan maar een streep onder alle moeizame onderhandelingen te zetten en eenduidig voor twee onafhankelijke staten te kiezen. Het politieke separatisme van Meciar, die zegt een Slowaakse aanwezigheid op het internationale toneel te willen verzoenen met een overkoepelend staatsverband, stuit op onwil bij de twee hoofdrolspelers aan Tsjechische kant: premier Klaus en Havel. Op de inderdaad vage voorstellen van Meciar om een soort model van Europese integratie op Tsjechoslowakije toe te passen - invoering van een monetaire unie en een defensiegemeenschap - reageren ze uitgesproken afwijzend. Een levensvatbare derde weg tussen een federatie en twee onafhankelijke staten is in de huidige omstandigheden niet mogelijk volgens hen.

Klaus heeft haast: een referendum over de scheiding lijkt hem een "extreme procedure die een normaal functionerend democratisch land' niet nodig heeft. De losmaking van Slowakije is onontkoombaar geworden. Daarbij speelt economisch eigenbelang een aanzienlijke rol. Het arme Slowakije met zijn hoge werkloosheid en verouderde zware industrie is een blok aan het been voor de hervormers in Praag. Een deel van het Slowaakse onafhankelijkheidsstreven is ingegeven door de Tsjechische onwil om meer rekening te houden met regionale verschillen bij de economische hervormingen. Klaus wil verder op de ingeslagen weg en lijkt daarmee een soort economisch separatisme te bedrijven. Een onafhankelijk Tsjechië bevordert herstel en kan een aansluiting bij de Europese Gemeenschap makkelijker maken.

Bij Havel zijn het andere argumenten die zijn onwil bepalen om nieuwe uitwegen uit de patstelling te zoeken. Bij zijn aftreden als federaal president op 17 juli zei hij onder meer: “De presidentiële verkiezing die kortgeleden heeft plaatsgehad liet ook zien dat ik het vertrouwen van het grootste deel van de Slowaakse politieke vertegenwoordiging heb verloren. Ik interpreteer dit verlies niet alleen als een uitdrukking van weerzin tegen mij persoonlijk, maar ook als uitdrukking dat men het niet eens is met de waarden die ik voor sta ...”.

Met dat laatste bevestigt Havel impliciet het beeld van een Europees en humanistische gezind Tsjechië versus het achterlijke, door nationalisme bevangen Slowakije. In een gesprek zegt de Tsjechische hoogleraar Rudolf Steindl over Havels motieven om voortijdig afstand te doen van het presidentschap, waarmee de ondergang van de federatie lijkt bezegeld: “Kennelijk is hij tot de conclusie gekomen dat de idealen die hij heeft over een fatsoenlijke, een moreel hoogstaande samenleving alleen in de Tsjechische landen kunnen worden gerealiseerd” (NRC Handelsblad, 20 juli).

Wat Havel tot zijn stap heeft bewogen is - naast nobele overwegingen als het niet aan de macht willen hangen - ook een vorm van moreel separatisme. Na zijn onomwonden veroordeling van degenen die "goedkoop appelleren aan nationalistische sentimenten' heeft hij moeten vaststellen dat een meerderheid van de Slowaken zich niets van zijn vermaning hebben aangetrokken. Zijn vroegere begrip voor de nationale aspiraties van de Slowaken is omgeslagen in een morele afwijzing. Nergens rept Havel meer over zijn voorstel om in beide delen van Tsjechoslowakije een referendum over de toekomstige staatsstructuur te organiseren.

Zijn wellicht te gehaaste stap zegt iets over de morele "anti-politiek' die hij steeds heeft willen verdedigen. In Havels opvatting bestaat er een volstrekte tegenstelling tussen politiek als "gepraktizeerde moraal' en politiek als "machtshonger'. Oog in oog met het communistische machtsmonopolie was die morele omweg meer dan gerechtvaardigd en - zoals later zou blijken - zeer effectief.

Maar de houding die tegenover het communisme zo werkzaam bleek, stuit in zijn omgang met het Slowaakse nationalisme op een grens. Door het merendeel van de inderdaad niet erg fijnzinnige Slowaakse politici als gesprekspartner te negeren, heeft Havel zich onttrokken aan het moeizame handwerk van een vergelijk tussen tegenstrijdige emoties, dat nu eenmaal de kern van democratische politiek vormt. Het is zoals een Tsjechoslowaakse criticus opmerkte: door een niet goed doordacht ijveren voor moraal is juist “het veld geruimd voor onbeschaamde bevrediging van machtshonger” door anderen.

De anti-politiek van Havel vertegenwoordigde ooit de "macht van de machtelozen'. Na de fluwelen revolutie van 1989 waren de rollen omgekeerd en werd de moralisering van het openbare leven een presidentieel credo. Wat in zijn ogen een nadruk is op universele waarden van liberale democratie, is vanuit een Slowaaks gezichtspunt Praagse arrogantie. Degenen die de boventoon voeren, kunnen zich nu eenmaal altijd op universele waarden beroepen. De anti-politiek van Havel is in deze nieuwe context minder onschuldig gebleken dan hij zelf heeft willen geloven. Met zijn minachting voor de Slowaakse nationalisten heeft hij het Tsjechische gevoel van superioriteit bevestigd en daarmee de etnische onrust in zijn land ruimte gegeven.

Misschien dat het uiteenvallen van Tsjechoslowakije onvermijdelijk is in de maalstroom van "Kleinstaaterei' die Oost-Europa in zijn greep heeft. Toch beklijft in het Tsjechoslowaakse geval de indruk dat niemand echt kiest voor een boedelscheiding, het is meer een vicieuze cirkel van halve seperatismen die niet wordt doorbroken. Was het niet Friedrich Engels die honderd jaar geleden schreef dat de geschiedenis wordt gemaakt achter de rug van de mensen om?