Democratie heeft behoefte aan nieuw type Tweede-Kamerleden

Na het zomerreces zal binnen de politieke partijen de stoelendans om de zetels in de Tweede Kamer op gang komen. De verkiezingen van 1994 zijn nog niet in zicht, maar de profielschetsen van kandidaatleden worden gemaakt, de eerste gezichten worden bekeken.

Voor mogelijke nieuwkomers en de routiniers breekt daarmee een spannende periode aan. Wie krijgt een verkiesbare plaats op de lijst, wie zijn de concurrenten? Voor de slag tussen de partijen begint, wordt eerst binnen de partijen gestreden.

Er zit altijd iets onvoorspelbaars in de selectieprocedures. Kandidaat-leden worden door hun partijgenoten beoordeeld op grond van criteria die vaak voor verschillende uitleg vatbaar zijn. Kandidaten moeten op zoek naar steun in hun partij, ze moeten lobbywerk verrichten en hun gezicht laten zien bij partijbestuurders die de samenstelling van de lijst kunnen beïnvloeden.

Voor de partijen is het geen eenvoudige zaak om zonder problemen een lijst op te stellen. Het gaat om mensen met hun ambities, verdiensten en frustraties: achter de coulissen kunnen de emoties hoog oplopen bij "nieuwen' die hun kans niet krijgen en routiniers die zich slachtoffer voelen van de grillen van de tijd.

De procedures worden nog bemoeilijkt omdat de partijen soms zèlf in een identiteitscrisis verkeren. De tijd van duidelijke politieke boodschappen is voorbij, die van hechte achterbannen eveneens. Kiezers stappen makkelijker over van de ene partij naar de andere, of blijven thuis. Partijen moeten steeds harder vechten om de gunst van de "zwevende kiezer'. Bovendien zijn in de Nederlandse consensusdemocratie de verschillen tussen de partijen gering. Veel kiezers vragen zich af wat er nog te kiezen valt.

De crisis in het partijenstelsel weerspiegelt zich in de Tweede Kamer: de etalage van de politiek. Achter de rug van de lijsttrekker komen er politici in het parlement die onherkenbaar blijven. De meesten zijn ijverig en leggen zich helemaal toe op de specialismen die de fractie te verdelen heeft. Ze halen veel van hun kennis uit de ambtenarij, vaak komen ze er zelf uit voort. Zulke Kamerleden kopiëren de taal en denkwijze van de ministeries, en gaan ten onder in de veelheid aan details. Vaak tegen hun wil in worden ze zo in het moeras van de bureaucratie gezogen. Ze verliezen zich in de opsomming van feiten, hun bijdragen aan het openbare debat dragen sporen van de departementen. Ze worden een soort gekozen ambtenaar, een rad in de Nederlandse consensusmachine.

Deze ontwikkeling komt niet alleen in Nederland voor. In Duitsland - waar de democratie kampt met dezelfde problemen van politieke verambtelijking - heeft president Von Weizsäcker een discussie aangezwengeld over de "crisis van de Parteienstaat'. Hij wijst er in een interview met Die Zeit van 19 juni op dat het aanzien van de politiek en de aantrekkelijkheid van het politieke beroep sterk zijn gedaald. Volgens hem hebben partijen zich ontwikkeld tot eilanden die los staan van de maatschappij en hebben beroepspolitici slechts geleerd hoe ze de partijleiding moeten napraten en de achterban koest houden.

“Je leert je te verdedigen tegen de concurrentie van andere partijen, en tegen de concurrentie in je eigen kamp”, aldus Von Weizsäcker. Het steriele politieke werk in partijen schept zo een “democratie van functionarissen”. Volgens hem is het nodig dat de recruteringsbasis wordt verbreed en de “Oligarchien in den Parteien” worden gebroken. Hij vindt dat de kandidaatlijsten in bredere kring dan alleen de partijgremia moeten worden opgesteld.

De opmerkingen van Von Weiszäcker zijn ook interessant voor de "monocultuur' die in Nederlands partijen is ontstaan bij de recrutering van toekomstige politici. Natuurlijk, er zijn verschillen met Duitsland. De partijen hebben er een ruime financiële armslag en het vergoedingenstelsel - dat de aanleiding vormde voor het debat - is zeer gul. Maar het kernprobleem is hetzelfde: in een liberale democratie zijn politieke partijen onmisbaar voor de wils- en besluitvorming. Als politieke partijen verschralen, verschraalt de democratie.

Als partijen slechts technocraten voortbrengen, zal de democratie haar politieke oriëntatie verliezen. De overheid ordent dan problemen in een web van regels, maar lost ze niet op. De bureaucratie stuurt dan de politiek, ze ontpopt zich tot de bewaker van de status quo, en groeit, omdat het aanbod aan regelgeving zijn eigen vraag creëert.

De partijen voelen inmiddels aan dat er iets mis is - de opkomstcijfers bij de recente verkiezingen waren laag - en zijn van plan wat aan de recrutering te doen. De PvdA lijkt hierbij het meest uitgesproken. Geen wonder, want deze partij staat in peilingen op een halvering. Partijvoorzitter Rottenberg ziet het Kamerwerk als een "deeltijdfunctie': het Kamerlid moet zich op hoofdzaken concentreren en er “iets bij blijven doen”.

De pendule is terug. In het zuilentijdperk was het Kamerlid vaak vertegenwoordiger van een belangenorganisatie, waar hij zijn dagtaak had. In de jaren zeventig klonk dat verdacht want bindingen zouden het Kamerlid corrumperen. Het Tweede Kamerlid werd daarop "maatschappelijk ongebonden', maar politiek werd hij volledig afhankelijk van de partij, omdat de partij besliste. De weg naar de Kamerfractie werd geopend voor veel gewestelijke partijbestuurders en andere vergadertijgers.

Dit selectiesysteem leidde tot verstarde verhoudingen, omdat er nog slechts werd gevist in de vijver van trouwe activisten die tijd hadden om alle vergaderingen te bezoeken. Uiteindelijk beslisten regionale partijbonzen over de lijst - de huidige PvdA-fractie draagt er nog de sporen van. Rottenberg wil dit doorbreken, maar dat kan een schouwspel worden: een fractie van 49 mensen grotendeels vernieuwen, terwijl de partij op verlies staat, komt neer op het aanrichten van een politieke massaslachting.

Het CDA lijkt een andere methode te kiezen, het wil een snelle doorstroming. In het human resources management van partijvoorzitter W. van Velzen moeten Kamerleden die langer dan drie termijnen zitten hun biezen pakken. De schade valt mee, op een fractie van 54 moeten er volgens Van Velzen circa vijftien weg. Maar onder hen zijn nu juist enkele Kamerleden die voor het publiek wèl herkenbaar waren. Zo is A. Lansink (Kamerlid sinds 1977) een politicus die regelmatig naar voren treedt om politieke brandjes te blussen. En W. Mateman (Kamerlid sinds 1979) is wellicht niet overal populair, maar hij is wel herkenbaar. R. van der Linden (Kamerlid sinds 1977, met een onderbreking van twee jaar) is in 1988 als staatssecretaris "gevallen', maar als Tweede Kamerlid haalt hij uit Limburg met voorkeursstemmen op eigen kracht zijn zetel: dat kan van weinigen worden gezegd. Kortom: de gulden regel van Van Velzen kan juist die kandidaten elimineren die de politiek herkenbaar maken.

Een nieuwe selectiemethode wil niet zeggen dat de recrutering ook een bredere basis zal krijgen. De partijen moeten anders, en vooral elders selecteren. Ze moeten op zoek gaan naar een ander type Kamerlid: aspirant-politici met veel moed en weinig vrees.

Wie als beroepspoliticus zonder stevige achterban in de partijgremia woont, zal deze deugden snel verliezen, omdat hij steunt op de gunst van de partijtop of de mode van de basis. Hij zal de onaangename zaken voor zich houden, liever de kudde volgen dan zijn carrière in de waagschaal te stellen. Een partij wordt zo steeds minder een platform van gedachten en steeds meer een snelweg voor baantjesjagers.

Als de recruteringsbasis wordt verbreed naar beroepsgroepen die nu vrijwel niet aan bod komen, naar mensen die niet per definitie op een "lange partijgeschiedenis' roemen en die naast het Kamerwerk ook ander werk doen, komt er ook een ander type in het parlement. Voor een dergelijk Kamerlid is het politieke vak tijdelijk, is de levende maatschappij de inspiratiebron en niet de papieren werkelijkheid van de bureaucratie. Dit jaar heeft de Eerste Kamer herhaaldelijk gedaan wat de Tweede Kamer had moeten doen, door kwesties als het plan-Simons en de basisvorming als politieke onderwerpen te behandelen. Het probleem zit niet in het parlementaire stelsel, maar in de mensen die het een gezicht moeten geven.