De trein rijdt weg en niemand zwaait

Ruim vijfduizend vluchtelingen uit Bosnië-Herzegovina zijn dit weekeinde in zes treinen aangekomen in Duitsland. Onze verslaggever reisde mee, van de Kroatische stad Karlovac naar de plaats van opvang nabij Dortmund. De familie Alhihogic op de vlucht voor de oorlog.

KARLOVAC/UNNA, 27 JULI. De lange Sonderzug glijdt door het Kroatische landschap. Een eenzame boer bewerkt in de zinderende hitte zijn land. Als hij de Rode Kruis-stickers op de treinwagons ziet, steekt hij zijn hand op. Aan de oevers van de Sava, vlak buiten Zagreb, liggen enkele jongeren te zonnebaden.

In de trein bevinden zich 45 medewerkers van het Duitse Rode Kruis, onder wie een arts, een verpleegkundige en een complete reddingsbrigade, op weg om gevluchte Bosniërs op te halen. Er zijn medicamenten aan boord en vijfduizend liter frisdrank en water. De operatie staat onder leiding van de zwaarlijvige heren Bauer en Upphoff. Laatstgenoemde draagt de titel van Transportführer, maar hij staat erop Transportleiter te worden genoemd.

Op het station van Karlovac heerst rust. De Kroatische vlag hangt slap naar beneden. De vijftien leden van de Beierse grenspolitie die zijn meegereisd, krijgen op het perron instructies. Deze vluchtelingen zijn voornamelijk analfabeten, beweert hun chef. Maar de meesten hebben wel een of ander document bij zich waaruit hun naam moet blijken.

Aan de zijkant van het station staat een lange rij bussen vol vluchtelingen. Ze zien er uitgeput uit. Gelaten laten ze alles over zich heengaan. Bus voor bus worden de verdreven Bosniërs naar de wagons overgebracht. Sommigen dragen volgepropte plastic zakken of rugzakken, anderen helemaal niets. Een meisje omklemt haar levensgrote pop. Een hoogbejaarde vrouw kan nauwelijks meer lopen. Zij wordt de trein ingetild, haar ogen wijd opengesperd. Het contingent van 833 vluchtelingen bestaat voornamelijk uit complete families, opa's, oma's, ouders en kinderen. De jongste is zes weken oud. Het kind heeft door het dagenlange oponthoud in de hitte een zonnesteek opgelopen. Het hoofdje zit vol met bulten en korsten.

Na drie uur zijn alle bussen leeg. Zonder dat iemand zwaait rijdt de trein weg. Nu pas blijkt hoe erg de meesten zijn uitgedroogd. De medewerkers van het Rode Kruis rennen af en aan met blikjes mineraalwater. Enkele bejaarden krijgen een infuus toegediend.

In wagon veertien bevindt zich de familie Alhihogic. Fadil (41), zijn vrouw Zlata (37), hun zonen Damir (18) en Sinan (14) en Fadils zuster Kanita (26) zijn afkomstig uit Prekosanje, een dorp vlakbij Bosanski Novi in het noordwesten van Bosnië.

In hun dorp woonden duizend mensen, allen moslims op één Servische familie na. Fadil was vrachtwagenchauffeur, hij bezat een eigen truck. In Bosanski Novi exploiteerde hij ook een café waar Damir bediende. Zlata was administratief medewerkster bij de gemeente, Kanita werkte in een warenhuis. Zlata's moeder was van Servische afkomst. Tweehonderd jaar geleden waren de voorouders van Fadil in Prekosanje komen wonen. Het ging het gezin Alhihogi'c tot voor kort goed. Ze bezaten een modern ingericht huis en een nieuwe Opel Kadett diesel. Zlata kreeg twee jaar geleden kanker, maar na intensieve therapie ging het haar nu weer wat beter.

Pag 5: Het gezin Alihogic heeft alleen nog wat foto's

Op 15 maart om acht uur 's ochtends begon de ondergang. Servische milities openden zonder enige waarschuwing vanuit de heuvels het vuur, vertelt Damir. Daarna reden twee tanks en een aantal pantserwagens Prekosanje binnen, gevolgd door soldaten te voet. Ze trapten de voordeuren in en dwongen iedereen naar buiten te komen. Sommigen werden in koelen bloede doodgeschoten. In totaal kwamen bij de beschietingen en de executies ongeveer honderd inwoners om het leven, twintig raakten zwaar gewond. De ongewapende moslims hadden zich niet kunnen verdedigen. In een lange colonne trokken de overgebleven negenhonderd inwoners te voet naar Bosanski Novi. De familie Alihogic vond onderdak bij vrienden. Tienduizenden vluchtelingen uit de wijde omgeving werden eveneens naar Bosanski Novi gedeporteerd.

In het begin gingen Damir en Sinan nog gewoon naar school. Zlata Alhihogic werd bij de gemeente ontslagen, evenals alle andere moslims. De vrachtwagen, de Opel, de televisie, de ijskast en al het andere wat de familie bezat was door Servische milities in beslag genomen. Van werken was geen sprake meer. Het gezin leed honger, sporadisch konden ze wat voedsel bemachtigen. De Serviërs intimideerden hun islamitische stadgenoten en de toegestroomde vluchtelingen steeds meer. Een van Damirs beste vrienden, een Serviër, sloot zich aan bij de militie. Drie van zijn moslim-vrienden vochten mee met de Kroaten. Een klasgenoot werd op straat doodgeschoten. Duizenden moslims bivakkeerden wekenlang in het plaatselijke voetbalstadion. De familie Alihogic besloot terug te keren naar Prekosanje, samen met ongeveer vijftig andere gezinnen. Bij aankomst troffen ze een ruïne aan. Van de driehonderd huizen bleven er maar vijf onbeschadigd. Hun eigen huis stond nog overeind maar van de inventaris was niet veel meer over dan de muren.

Op 1 juni volgde de tweede aanval, dit keer vooral uitgevoerd door Serviërs uit Bosanski Novi zelf. Ook enkele leden van het Servische gezin in Prekosanje hadden het vuur op hun dorpsgenoten geopend. Van de teruggekeerde inwoners werd alles wat hen nog restte ingenomen. De familie Alihogic bezat nu alleen nog maar een stapel familiefoto's, een paar t-shirts en wat spijkerbroeken. Voor de tweede keer belandden ze in Bosanski Novi. Daar was de situatie voor de moslims inmiddels dramatisch verslechterd. Hoewel er geen wederzijdse beschietingen plaatshadden, waren er islamitische mannen op straat doodgeschoten, evenals Serviërs die de moslims hadden geholpen. In de kelder van hotel Una hadden de plaatselijke Servische bevelhebbers een folterkamer ingericht waar islamitische jongens werden doodgemarteld.

De familie Alihogic durfde de straat niet meer op. Ze trokken van hot naar her totdat ze bij een bevriend Servisch gezin konden onderduiken. Ze sliepen op de grond en wisten zich vijf weken lang verborgen te houden. Uiteindelijk ging Fadil te voet naar de Kroatische stad Dvor na Uni, waar hij hoorde over onderhandelingen tussen Servische troepen en de VN-vredesmacht. Die zouden resulteren in een konvooi van achtduizend mensen die per vrachtwagen, tractor en bus naar Karlovac werden gebracht. Met de hulp van een Servische vriend slaagde Fadil Alihogic erin zijn Opel Kadett terug te krijgen. Per auto toog het gezin naar Karlovac. Fadils 70-jarige vader bleef achter. Hij sprak al enige tijd niet meer, hij staarde slechts wezenloos voor zich uit. Hij wilde in Bosanski Novi sterven, had hij gezegd. Eerst vond hij onderdak bij zijn zuster maar die was ten slotte ook naar Karlovac gevlucht. Waar grootvader nu was, wisten ze niet. Niemand had ooit nog iets van hem gehoord.

In Karlovac sliepen ze drie dagen lang op een parkeerplaats. De Opel hadden ze weggegeven aan vrienden die in Kroatië wilden blijven. Zelf kenden ze daar niemand, dus daarom hadden ze het aanbod aangenomen om naar Duitsland te komen. Ook de zusters en broers van Fadil en Zlata waren in gezelschap van hun echtgenoten en kinderen in Karlovac aangekomen, in totaal 21 personen. Allemaal waren ze nu op weg naar Duitsland. Damir wilde zijn ouders nu niet in de steek laten maar later zou hij terug willen keren, om desnoods te sterven voor zijn land. Niet voor de jihad zoals de Serviërs beweerden maar voor de vrijheid, zei hij. Zijn broertje Sinan droomde van Amerika. Hij zou daar kranten willen bezorgen op een mountain-bike, dat had hij op de tv gezien.

In de trein van Karlovac naar Duiwas is het begonnen te stinken. Velen hebben diarree en de wc's kunnen het niet meer aan. De leden van het Rode Kruis verdelen de voedselpakketten: fruit, brood en blikjes varkensvlees. Eigenlijk eten ze dat nooit, maar dit keer heeft de honger overwonnen. Een groot deel van de inwoners van Prekosanje zit in deze trein. Zo ook de oudste inwoner van het dorp, een man van 93 jaar. Na 22 uur arriveert de trein in Unna, bij Dortmund. De eerste negen wagons worden losgekoppeld, de rest rijdt door naar Schöppingen.

Op het station van Unna staan tientallen belangstellenden. Als eerste verlaat expeditieleider Bauer de trein. Op een brancard wordt hij naar buiten gedragen, hij is van uitputting ineengezakt. Met loeiende sirenes rijden ambulances af en aan, de omgeving van het station is met politiewagens afgezet. Doodmoe hangen de Bosniërs uit de ramen, op verzoek van toegesnelde camerateams moeizaam V-tekens makend. Weer formeren ze zich in een stoet, weer zeulen ze hun tassen met zich mee. De familie Alihogic vertoont nog altijd geen spoor van emotie. Maar Zlata is de uitputting nabij. Ze ziet lijkwit en strompelt voort.

De Landesstelle für Aussiedler, Zuwanderer und Ausländische Flüchtlinge blijkt een compleet dorp te zijn, misschien wel net zo groot als Prekosanje. Aan lange tafels krijgen de ontheemden een kop koffie. Daarna lopen ze naar hun nieuwe onderkomens, hun namen op de borst gespeld. De inventaris van de familie Alihogic bestaat uit twee stalen stapelbedden en een kast. Kanita kan bij vrienden intrekken, Fadil, Zlata en hun twee zonen blijven bij elkaar in gebouw 121, kamer 4. Terwijl Fadil de bagage gaat halen, zakt Zlata snikkend in elkaar. Damir blijft onberoerd maar vannacht zal hij ook gaan huilen, weet hij, als niemand het ziet.