Beato's portret van een veranderend Japan; Hij deinsde er niet voor terug bergen slachtoffers te fotograferen; De tochten door het Japanse achterland waren een kolfje naar zijn hand

Manifestatie 'Breda Fotografica '92. Internationale fotografie uit o.a. Amerika, Duitsland, Italië en Nederland'. T/m 30 aug. Op 11 locaties in Breda, waaronder De Beyerd, Boschstraat 22. Inl. 076-225025.

Hij had lef maar geen goede smaak, denk ik bij het bekijken van de twee visitekaartjes die de fotograaf Felice Beato (¢4 1834 - ¢41907), een Brit van Italiaanse afkomst, in 1864 en 1866 maakte. Het kaartje uit 1866 toont Beato zelf, een gezette man met snor en baard en een iets te vlezige onderlip, en profil afgebeeld. Het kaartje uit 1864 laat het afgehakte hoofd van een Japanner zien dat tussen twee kluiten aarde op een plank tentoon is gesteld. Ik kijk nog een keer: het kleine fotootje is echt bedoeld als visite-kaartje. Dacht Beato werkelijk dat hij hier klanten mee kon lokken? Wilde hij laten zien dat zijn specialiteit het fotograferen van Japanse gebruiken was - hoe morbide ook? Of wilde hij alleen maar provoceren en tonen dat hij verder durfde te gaan dan wie ook van zijn collega's? Ik denk het laatste.

Beato had, voordat hij zich in 1863 als een van de eerste westerse fotografen in het Japanse Yokohama vestigde, het choque-effect tot zijn handelsmerk gemaakt. Als oorlogsreporter op de Krim, in China en Korea was hij gewend aan bloederige taferelen en hij deinsde er niet voor terug om "fraai gecomponeerde' bergen slachtoffers op de gevoelige plaat vast te leggen. Hij danste er zelfs verheugd omheen volgens ooggetuigen. In Japan maakte Beato snel naam. Hij kon goed van de verkoop van zijn foto's aan westerlingen leven en misschien vond hij daarom zijn provocerende visitekaartje niet langer nodig.

Van de honderden foto's die ik een dag lang op de grote manifestatie "Breda Fotografica '92' bekijk, blijven die van Beato me het langst bij. Het zijn opnamen die de Italiaan tussen 1863 en 1877 van het Japanse landschap, de inheemse bevolking en haar gebruiken maakte. De manifestatie (het vervolg op de "Photoworks'-tentoonstellingen, die tot vorige zomer ieder jaar in Amsterdam werden georganiseerd) vindt plaats in de elf belangrijkste musea en galeries van de stad. In de gotische Grote Kerk hangt recent werk van Nederlandse fotografen als Wijnanda Deroo, Ossip en Julia Ventura. In de kruisgangen blikkeren de koel esthetische mode- en society-foto's van Horst P. Horst me tegemoet. De Beyerd biedt een overzicht van Amerikaanse fotografen uit de twintigste eeuw, waarbij alle grote namen vertegenwooordigd zijn: Ansel Adams naast Paul Strand, William Klein naast W. Eugene Smith, Lee Friedlander naast Diane Airbus en Robert Mapplethorpe. Het Breda's Museum beperkt zich tot fotografen uit de stad zelf: Paul den Hollander en Stem-fotograaf Johan van Gurp onder anderen. In het gebouw van de NBKS, vlak bij de Grote Markt, hangen de foto's van Felice Beato.

Als Beato in Japan aankomt, treft hij daar een samenleving in verandering, die nog nauwelijks prijs stelt op de komst van westerlingen. De macht van de shoguns, die zich tegen westerse invloed verzetten, is tanende. De keizer neemt de regering over en verlegt zijn residentie van Kyoto naar Tokyo. Hier moet een metropool naar westers voorbeeld ontstaan. Tussen 1868 en 1912 (de Meiji-tijd) transformeert Japan van een centralistisch geregeerde feodale staat tot een verlichte, op het westen georiënteerde monarchie.

Beato is niet geïnteresseerd in de confrontatie tussen het oude en nieuwe Japan. Hij wil zo objectief mogelijk vastleggen wat verloren dreigt te gaan. En daarvoor ontduikt de avonturier de strenge Japanse wetgeving die bepaalt dat westerlingen niet meer dan tien mijl buiten Yokohama mogen komen. Onder het mom van diplomatieke missies beklimt Beato de Fuji-Yama, reist naar Kawasaki en Tokaido en fotografeert paleizen, tempels en dorpen - vaak met het risico onderweg overvallen en gedood te worden door de vijandige inheemse bevolking. Beato moet zich een ware ontdekkingsreiziger hebben gevoeld. De tochten door het mysterieuze, onbekende Japanse achterland, waren een kolfje naar zijn hand. Met een gedistantieerde interesse maakt hij studioportretten van getatoeëerde staljongens, kooplui, samurai's in volle wapenrusting en geisha's aan de opiumpijp. En even bedachtzaam fotografeert hij mistige panorama's over Nagasaki, Yokohama en Edo.

Steeds weer is er in Beato's foto's sprake van een rijkdom aan details, die alleen maar tot stand kan zijn gebracht door heel secuur van tevoren de zaken te arrangeren. Zo houdt een postbode zijn 'postzak' - een bamboestok die aan het uiteinde gesplitst is zodat een brief ertussen klemt - niet nonchalant vast. Welnee, hij houdt de stok kaarsrecht over zijn schouder, zodat de karakters op het briefpapier goed te zien zijn. Het mannetje zelf heeft zich in een soort van Egyptische pose gedraaid, vermoedelijk op aandrang van Beato. Op die manier zijn allebei zijn benen en armen te zien, en zijn zijn broek, beschilderde hoofddoek, buikgordel en de slippers die hij draagt goed te onderscheiden.

Met zijn pogingen om het vreemde land en volk als in een encyclopedie te documenteren, voegt Beato zich in de rij van "antropologische' fotografen als Edward S. Curtis, Karl Moon of Emry Kopta. Al blijft Beato zijn leven lang het avontuur zoeken, in zijn werk mijdt hij het anekdotische. Daardoor hebben zijn foto's de tand des tijds weerstaan.