Wie Indurain uitdaagt loopt de kans zichzelf kapot te maken

BLOIS, 25 JULI. Féderico Bahamontes in 1959, Luis Ocana in 1973 en Pedro Delgado in 1988 gingen hem vooraf. Maar in geen enkel opzicht lijken zij op de tweevoudige Tour-winnaar (na 1991 waarschijnlijk morgen ook 1992) Miguel Indurain. Diens Spaanse voorgangers waren vooral klimmers. Dat is Indurain niet. De 28-jarige atleet is in de eerste plaats tijdrijder. En zoals hij op dat onderdeel speelt met zijn concurrenten hebben weinigen - zeker geen Spaanse renners - vóór hem gedaan. Miguel Indurain mag daarom nu al bijgeschreven worden bij de grootste renners aller tijden, hoewel hij het einde van zijn mogelijkheden waarschijnlijk nog niet eens heeft bereikt.

Het ligt voor de hand zijn tijdrit met een fabuleus snelheidsgemiddelde van 52 kilometer per uur in verband te brengen met het werelduurrecord dat Francesco Moser in 1984 in Mexico vestigde met 51.151 kilometer per uur. Maar het is illustratief voor Indurains houding niet over een poging het record te breken, te willen praten. Realist als hij is verwierp hij elke vergelijking met Mosers prestatie van al weer acht jaar geleden. Vooral de rugwind die hij bijna alle 64 kilometers tussen Tours en Blois had gevoeld, had hem immers zo snel doen fietsen. Alsof hij zichzelf niet beter mag vinden, dan hij al is.

Men weet geen raad met Indurains superioriteit, die met het jaar groter dreigt te worden. Alsof tweemaal in successie de Tour de France winnen en zowel Giro en Tour in hetzelfde jaar - dit jaar - nog maar het begin is van een glansrijke loopbaan als wielrenner, werd de Spanjaard gisteren tijdens de persconferentie na de tijdrit in Blois gevraagd naar zijn eventuele hogere doelen. De Vuelta? Een werelduurrecord? Misschien zelfs Vuelta, Giro en Tour in hetzelfde jaar winnen? Nee, de laatste vraag bleef achterwege. Maar hij had gepast in het mysterie-Indurain dat menig insider bezighoudt. Hoe kan een jongeman zo sterk zijn?

Het is of iedereen wacht op het moment dat zijn krachten het toch zullen begeven - voor even maar. Zoals hij op de klim naar Sestrières in zijn jacht op Chiappucci misschien wel voor het eerst in zijn topjaren een inzinking kreeg. Gisteren werd Indurain in de tijdrit geconfronteerd met een herboren Bugno. In elk geval reed de Italiaan eindelijk zo hard als vóór de Tour van hem werd verwacht, dat het er lange tijd op leek dat Indurain van hem zou verliezen.

Bugno zat bewegingsloos op zijn fiets, toen hij langs de Loire en zijn kastelen snelde. Terwijl de Spanjaard zwoegde als nooit te voren. En toen Bugno zijn achterstand van drie seconden na 15 kilometer gestaag terugbracht tot één seconde op 46 kilometer, leek Indurain ten onder te gaan. Maar tegelijk met de terugslag van Bugno, versnelde Indurain en vergrootte hij de marge in tien kilometer tijd naar dertig seconden. Wat bleek? Hij had zich aanvankelijk alleen op de tijd van de veel langzamere Chiappucci gericht. Maar toen bleek dat hij van hem niets meer had te vrezen en dat Bugno naderbij kwam, sloeg hij genadeloos toe met zijn bomen van benen.

In zijn onstuitbare opmars dreigde hij in de slotkilometers, evenals in de laatste tijdrit van de recente Giro, Chiappucci in te lopen. Maar de aanvalslustigste aller Tour-renners vocht als een leeuw en bleef uit de greep van de "Spaanse TGV'. Als een overwinning begroette Chiappucci het feit dat Indurain hem niet had kunnen passeren. “Het is de eerste keer dat Indurain in een Tour-tijdrit geen renners heeft kunnen inhalen”, genoot Chiappucci nog na. Het geeft nog eens aan hoe verschrikkelijk sterk de man uit het Spaanse noorden is.

Gaat hij Chiappucci inhalen? Dat was vooraf de enige vraag die Indurains ploegleider Echavarri bezighield. Zijn vertrouwen in zijn pupil was erg groot. “Sinds een jaar heeft hij niet meer in belangrijke tijdritten verloren.” Echavarri acht Indurain een ideale renner voor een tijdrit. “Hij is 1 meter 88, zijn dijbenen zijn lang en sterk, zijn morfologie is perfect. Alles is in harmonie. Hij is als Carl Lewis.” Echavarri moet lachen om de kritiek op Indurain, dat hij niet aanvalt, dat hij geen spektakel biedt, dat hij geen demarrage, geen panache - zoals de Fransen zeggen - heeft. “Indurain fietst met zijn hoofd, hij fietst om te winnen. Hij is geen Chiappucci, maar die wint ook geen Tour.”

Indurain wijt het aan zijn lange lichaam. Daardoor kan hij niet demarreren. Hij is een renner met macht. En hoeveel hij daar wel van heeft, bewijst hij door als een geoliede machine zijn benen trapassen van liefst 18 centimeter in hoog tempo te laten draaien. Van vermoeidheid is niet gauw sprake bij de Spanjaard. Wanneer je Indurain ziet rijden en zijn snelheid waarneemt begint hij op een supermens te lijken. Maar wie hebben dat niet gezegd van Coppi, Anquetil, Merckx en Hinault?

Wie het tegen hem wil opnemen loopt de kans zichzelf te vernielen. LeMond, Breukink en Bugno, goed misschien waren ze niet in topconditie in deze Tour, reden zich in de wind van Luxemburg stuk op de snelheid van Indurain. Bugno verloor destijds vier minuten op zijn grote rivaal. De klap kwam in Luxemburg zo hard aan bij de wereldkampioen dat hij ten einde raad een wanhoopsaanval plande in de Alpen. Hij viel aan, maar bleek zijn krachten overschat te hebben. “Zowel lichamelijk als geestelijk raakte ik in een ernstige crisis”, herinnert Bugno zich.

Bugno reed in tegenstelling tot Indurain niet de Giro. Hij wilde zich niet laten gekmaken in de ronde van zijn eigen land, hij wilde ontspannen naar de Tour. “Ik heb een fout gemaakt. Volgend jaar ga ik weer naar de Giro, al is het maar als voorbereiding op de Tour.” Bugno heeft de hoop op een gelijke strijd met Indurain nog niet verloren. “Als ik net als nu hier in Luxemburg slechts veertig seconden had verloren, zou het er in de Alpen zeker anders aan toe gegaan zijn. Om mezelf weer eens te motiveren had ik hier vandaag willen winnen. Nu ben ik tweede, gezien de tijd van Indurain ben ik er tevreden mee.”

Niet alleen kracht, conditie en herstellingsvermogen zijn belangrijk in de Tour. Toppers als Indurain, Bugno, Chiappucci en Breukink hebben ieder op hun eigen manier problemen met spanning. In de Tour kan Indurain zich goed staande houden, maar in de Vuelta, de Ronde van Spanje, krijgt hij net als Bugno in de Giro problemen. Hij voelt zich verplicht zijn ronde te rijden, voor zijn supporters. “Maar de druk is te groot. De supporters, de pers en de Spaanse renners zetten hem dan onder te grote druk”, weet Echavarri. “In de Vuelta vallen de Spaanse renners meer aan dan in de Tour omdat het hun ronde is, omdat hun sponsors dat willen. Dan heeft Indurain moeite. Totnutoe is hij daarom nog maar één keer tweede geweest. En laten we hem liever de Giro rijden.”

Indurain belooft na de winter te bezien of het parcours van de Vuelta voor hem geschikt zal zijn. Maar eigenlijk weet hij het al. In april is het koud in de Pyreneeën, dan ligt er sneeuw en zijn de bergen gehuld in koude mist. En dat verdraagt zijn lichaam niet. “Als ik hem wel rij, dan slechts als voorbereiding. Want de Tour de France wil ik weer winnen”, zegt Indurain en hij lacht met de rust van een groot kampioen. De Tour kent zijn winnaar al van volgend jaar.