Uitzendbureaus

Columnist E.J. Bomhoff blijft maar doorgaan over de gezamenlijke verantwoordelijkheid van sociale partners voor de uitvoeringsorganisaties van de sociale zekerheid. In NRC Handelsblad van 20 juli gaat het over het experiment uitzendbureaus van de BVG, de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheidszorg. De feiten zijn anders.

In 1990 heeft de directie van de BVG gedachten geopperd om een experiment aan te gaan met uitzendbureaus om vooral arbeidsongeschikten via tijdelijk werk aan de slag te helpen. Het bestuur van de BVG heeft daarop, als verantwoordelijk orgaan een werkgroep ingesteld waaraan twee AbvaKabo-bestuursleden deelnamen, welke binnen een beperkt aantal maanden met nadere aanbevelingen tot uitvoering van het experiment is gekomen, die door het BVG bestuur unaniem zijn overgenomen.

Het is juist dat AbvaKabo twijfels had over een dergelijke benadering. Hoe zit het met de rechtspositie van betrokkenen? Wat zijn de inkomensgevolgen? Zijn uitzendbureaus de meest geschikte organen om mee in zee te gaan, gezien de doelstelling van het experiment om mensen aan vast werk te helpen? En zouden we niet beter met Arbeidsvoorziening in zee kunnen gaan? Die vragen zijn uitgezocht. En zeker toen ARBVO, welke immers het primaat in de arbeidsbemiddeling heeft, het experiment positief beoordeelde, was wat AbvaKabo betreft de laatste hinderpaal uit de weg geruimd. Dus geen traineren zoals Bomhoff beweert, geen voortrekken van Start (het experiment begint tegelijkertijd met commerciële uitzendbureaus), geen vijandschap, wel vragen over de rol van commerciële uitzendbureaus bij de arbeidsbemiddeling. Bomhoff roept dus weer harder dan de feiten toelaten.