Twijfels knagen aan De Bruin

BARCELONA, 25 JULI. Als de atleet die vorig jaar tweede bij het wereldkampioenschap in Tokio was wilde Erik de Bruin slechts als een volwaardig medaillekandidaat bij de Olympische Spelen verschijnen. Omdat hem dat door ziekte onmogelijk bleek, besloot hij gisteren niet naar Barcelona te gaan. “Ik heb heel lang getwijfeld en misschien denk ik zelfs straks bij de wedstrijd wel als iemand met 63 meter derde wordt: stom dat ik niet gegaan ben.”

De lichamelijke problemen van De Bruin deden zich half juni gelden. Opgezette klieren en een keelontsteking speelden hem parten. Hij rustte wat, trainde weinig en liet zijn bloed onderzoeken. “Er was op een gegeven moment niet meer dan dertig procent over van de eigenlijke training. Met mijn techniek had ik geen problemen, alleen het fysieke gedeelte was veel minder. Ik was zo'n zes kilo afgevallen.”

De 29-jarige atleet uit Hardinxveld maakte de laatste maand de indruk zijn achterstand door de ziekte van Pfeiffer goed te maken, maar de twijfel bleef knagen. “Ik wilde niet naar Barcelona om dertiende te worden”, zo zei hij gisteren. “Als je eerste wilt zijn moet je 66 meter kunnen halen en dat zit er voor mij niet in. Nou weet ik wel dat ik iemand ben die als het moet in een wedstrijd een stuk boven zichzelf kan uitgroeien, maar het gat met de top lijkt me te groot. Ik heb de beslissing genomen en heb het Bolhuis, de chef d'equipe, laten weten. Nu weet ik nog niet zeker of ik er goed aan heb gedaan. Misschien wil ik me straks wel een kogel door m'n kop schieten als iemand met 63 of 64 meter derde wordt.”

Na zijn bericht aan Barcelona spoedde De Bruin zich naar tienkamper Robert de Wit met wie hij een trainingsafspraak had. Juist dit jaar had hij in De Wit en in verspringer Maas geestverwanten met wie hij trainde. De Wit plaatste zich ook voor Barcelona. Maas beleefde een uiterst teleurstellend seizoen en kwam geen moment in de buurt van de limiet.

Op basis van zijn vroegere verrichtingen, met name de tweede plaats bij de wereldkampioenschappen vorig jaar in Tokio en de tweede plaats bij het Europees kampioenschap in 1990 in Split, genoot De Bruin dit jaar een olympische voorkeursbehandeling. Vroeg in het jaar overtroefde hij bij een demonstratiewedstrijdje de limiet van 63 meter. Daarna was 64.50 begin juni in Leiden zijn topprestatie. Internationaal testte hij zich vier keer en evenveel keer werd hij tweede. Op 12 juni in Cottbus na de Rus Kidikas (66.12 tegen 63.92). Een week later in het Franse Dreux na de Hongaar Horvath (63.98 tegen 62.94). Op 28 juni in Hengelo achter de Roemeen Grasu (64.54 tegen 62.46) en op 12 juli in Arnhem achter de Rus Avrunin (61.72 tegen 61.60). Vorig jaar bracht De Bruin het Nederlands record op 68.12 en was zijn beste prestatie bij het wereldkampioenschap 65.82. In Barcelona zou De Bruin voor de derde keer aan de Olympische Spelen deelnemen. In 1984 werd hij negende (62.32) en achtste bij het kogelstoten; in 1988 ook negende met 63.06.