Tafelpoten helderder dan mensenvoeten

Wat zag de buitenlandse reiziger in Nederland, en wat noteerde hij in zijn dagboek, brief of roman? Eerste aflevering in een kleine serie impressies van Nederland.

Het glimmende, blinkende decor drong zich aan hen op. De buitenlandse toeschouwers die Nederland bezochten ontkwamen domweg niet aan de Nederlandse zindelijkheid. Bij de schoonmaakdrift van de actrices schoot hun verbeelding tekort. En met een niet aflatende ijver beschreven ze de nationale hartstocht, die tot ver over onze grenzen bekend was.

""Het eerste wat ik deed'', schreef de Italiaanse schrijver Edmondo de Amicis, toen hij in 1874 in Rotterdam in zijn hotelkamer aankwam, ""was rond te zien of die nu beantwoordde aan de grote roep der Hollandse zindelijkheid''. En, ja hoor, ""het linnen was zo wit als sneeuw, de vensterruiten zo doorschijnend als de lucht, de meubels zo glad als kristal, de wanden zo rein als men met een vergrootglas nog geen zwart plekje zou gevonden hebben''.

Beeldend beschreef hij de dienstmaagden en huisvrouwen in Delft, die in onmogelijke standen muren en vensters wasten, de ringen en de slotplaten der deuren poetsten, stoepen en meubelen boenden met een bezieling die geen grenzen kende. De gemiddelde lezer moet de belevenissen van De Amicis wel als een exotisch avontuur hebben ervaren, vooral toen hij de hoofdrolspelers beschreef. ""Al die meisjes hadden gloeiende aangezichten; ze liepen de huizen in en uit, trippelden, klauterden en weerden zich als razenden; ze namen acrobatische houdingen aan, die de gewaagdste rondingen deden uitkomen, zonder naar de voorbijgangers om te zien, alsof het er slechts om te doen was, om de mensen van de stoepen en muren af te houden. In 't kort, het was een wedren, een roes van schoonmaakdrift, die iets kinderachtigs en feestelijks tevens had en mij deed denken aan een vreemdsoortige godsdienstplicht, die voorschreef de hele stad van de een of andere besmetting van boze geesten te reinigen.''

En om zijn ongelooflijke beweringen te staven citeerde hij zijn Delftse gastheer: ""Die dienstmeisjes, die gewoonlijk tamelijk flegmatisch zijn, vallen op de schoonmaakdag uit hun karakter en worden razend. Dan zijn wij geen baas meer in huis. De schoonmaak is hun bal, ze zijn als het ware de Bacchanten der zindelijkheid, ze komen in geestvervoering onder het wassen.''

Maar toen hij een verklaring zocht voor dit typisch Nederlandse fenomeen kwam De Amicis niet verder dan de vochtige, dompige lucht, die verantwoordelijk was voor deze buitenissige volkshartstocht. Of had hij toch gelijk? Was de schoonmaakwoede te verklaren uit de praktische noodzaak om rottend hout en roestend metaal te voorkomen? Ongetwijfeld was Nederland toen veel vochtiger dan tegenwoordig. Slechts een deel van de vele plassen was ingepolderd, en het grondwaterpeil was nog hoger. Dat was zeker het geval toen twee eeuwen vóór De Amicis een andere buitenlander Sir William Temple - de Britse ambassadeur in de Verenigde Provinciën - dezelfde verklaring voor de Nederlandse properheid gaf. Maar hij ging verder. In zijn ogen was diezelfde lucht niet alleen de oorzaak van de zindelijkheid, maar evenzeer van de exorbitante rook- en drinkgewoonten van de Hollanders. Hij vermoedde dat het vele drinken wel eens nodig zou kunnen zijn ""voor hun gezondheid (zoals zij algemeen aannemen) maar ook voor de kracht en de verbetering van hun begrip te midden van een mistige, dikke lucht en zoveel kilte van aard en ongesteldheid''. Het zou de bevroren of onwerkzame geesten van de hersenen kunnen ontdooien, het slaperige denken wekken, de grove verbeelding verfijnen en wellicht de geesten van het hart bezielen. Dat was ook de reden, volgens Temple, dat de oude Germanen twee vergaderingen wijdden aan belangrijke beslissingen, één op een namiddag en de andere op een ochtend, ""omdat zij dachten dat hun overwegingen in kracht zouden kunnen tekortschieten wanneer zij nuchter waren en in voorzichtigheid wanneer zij hadden gedronken''.

Of het roken der Nederlanders ook souplesse van de geest zou stimuleren, zoals de drank dat zou doen, vermeldden de reizigers niet. De Amicis was verbaasd hoe ingebakken de rookgewoonten waren. De schippers van de trekschuiten drukten de nog te varen afstand niet in mijlen of kilometers, maar in pijpen uit. Nederland was één grote pijp- en sigarenrokersparadijs. Er waren zelfs mensen die met een sigaar in hun mond sliepen, die, om vooral geen tijd te verliezen, weer werd aangestoken zo gauw ze maar even wakker werden. ""De rook is onze tweede adem'', vertelde er één. Een sigaar is de ""zesde vinger van de hand'', zou een ander hem gezegd hebben. En de Franse schrijver Denis Diderot schijnt de Nederlander ook als een "levend fornuis' te hebben gekwalificeerd.

Er scheen één dorp in Nederland te zijn dat paal en perk probeerde te stellen aan het rookgedrag van de bevolking: Broek in Waterland. In de tijd van De Amicis was het beroemd om haar schoonmaakwoede. Er stond een bord aan de ingang van het dorp waarop te lezen stond dat niemand vóór en na zonsondergang in het dorp mocht roken als hij geen deksel of dopje op zijn pijp had. Het was ook verboden schapen, koeien of paarden, die de straten konden bevuilen, door het dorp te leiden. Voor alle huizen stonden stenen spuwbakken, waar de rokers terecht konden.

De Amicis haalt in zijn reisverslag nog een anekdote aan, waarvan hij het waarheidsgehalte betwijfelt, domweg omdat hij het niet kan geloven. De schoonmaakwoede van de vrouwen in Broek was zo groot, dat ze de godsdienstoefeningen verzuimden. De plaatselijke predikant was wanhopig. Hij bedacht een list. Hij hield een lange preek waarin hij beloofde dat iedere vrouw die haar godsdienstige plichten zou vervullen in het hiernamaals een huis zou krijgen ""van onder tot boven vol met alle mogelijke prachtige meubelen en gerei, waar ze niets anders te doen zou hebben dan in alle eeuwigheid naar hartelust te stoffen, te wassen en te wrijven. Het vooruitzicht van die zaligheid vervulde de vrouwen van Broek met zulk een vrome ijver, dat ze van toen af aan altijd getrouw hun godsdienstplichten vervulden.''

De zindelijkheid werd vertroebeld door drank en nicotine. Maar dat was nog niet alles. Om de rokers en drinkers tegemoet te komen was de kwispedoor - het spuugnapje - uitgevonden. Overal stonden ze, in de trekschuit, in cafés, op tafel in huis, vaak temidden van de uitgestalte etenswaren. Het gerochel en de fluimen waren niet van de lucht. Menige reiziger sprak er zijn afschuw over uit.

Het was de keerzijde van de veel geroemde reinheid. En wat niet minder indruk maakte, zo schoon als de Nederlander was op zijn huis en haard, zo nonchalant en onverschillig verzorgde hij zichzelf. En ook om die eigenschap stond hij blijkbaar in het buitenland bekend. Toen de Engelse gezant John Harris, de latere Lord Malmesbury, in 1884 naar Nederland zou afreizen schreef hij aan een vriend: ""Ik zal daar moeten huilen met de wolven, die in het bos zijn. Daarom heb ik mijn huis voor vijf jaar verhuurd, en ben ik bezig mijn hersens op saaiheid en ernst in te stellen, mijn ogen te wennen aan zwarte tanden en bleke lippen, mijn neus aan de stank van hun tabak en ongewassen voeten.''

De Amicis zei niet te willen herhalen wat velen reeds hadden geschreven, maar vatte het desondanks nog eens samen: ""dat men de reiniging der huid verwaarloost, dat de vrouwen geen baden nemen en dat de tafelpoten helderder zijn dan de mensenvoeten''.

Wat bleef er in de loop der eeuwen over van dit paradoxale beeld van huiselijke reinheid en lichamelijke smerigheid? Het lijkt erop alsof het verwaterde. In ieder geval nam de zindelijkheid een minder prominente plaats in in de reisverslagen van buitenlandse reizigers. De Tsjechische schrijver Karel Capek sprak in de jaren dertig nog van een "overwegende invloed' van de vrouwen. Zij zouden worden geregeerd door de dweil, ""want de helderheid die over Nederland heerst is absoluut vrouwelijk''. Hij deed een poging om de oorzaak van de propere straten te achterhalen en vergeleek de wijze van wonen van Engelsen en Nederlanders. De Engelsen zouden hun huizen hebben veranderd in verschansingen, door een hek afgeschermd van de straat. ""In Holland was ik nog verbaasder'', zo schreef Capek, ""toen ik zag hoe de mensen hun huis één maken met de straat: voor de ramen een niet afgesloten tuin en de brede, heldere ramen geheel onbedekt, zodat iedere voorbijganger de welstand en het voorbeeldige familieleven kan zien. Een Hollandse straat is eigenlijk een interieur; zij is eigenlijk niets meer of minder dan een gang die door een aantal buren gemeenschappelijk gebruikt wordt, en daarom is zij zo schoon.''

Na de Tweede Wereldoorlog werd de zindelijkheid nog wel geprezen, maar vaak niet meer dan spreekwoordelijk. (Onze zindelijke woordenschat is nog volledig in tact. Hoeveel synoniemen hebben we niet: rein, helder, fris, schoon, proper, netjes . . .) Meer en meer kwamen de hondepoep in de straten, de lege bierblikjes, kisten, en oude fietsen in de grachten in het vizier.

Zo zijn we waarschijnlijk één van onze handelsmerken kwijtgeraakt. Eén ding is zeker. De straat mag dan niet meer voor een schoonheidsprijs in aanmerking komen, de auto gooit hoge ogen. De Nederlandse man onderhoudt haar met een wellust die zijn weerga niet kent, zoals dat ook de Portugees-Nederlandse schrijver Rentes de Carvalho verbijsterde. ""Meer dan eens heb ik ze met een zakdoek in de hand zien poetsen op een haast denkbeeldig vlekje op het chroom, of bekommerd zien staren naar een opgelopen schrammetje, met het bedrukte gezicht van iemand die een jobstijding ontvangt van ziekte van een dierbaar familielid.''