MEDITERRANÉE, ZO BLAUW, ZO BLAUW

De Middellandse Zee en de mediterrane wereld ten tijde van Filips II. Deel 1: Het landschap en de mens door Fernand Braudel 480 blz., geill., Contact 1992, vert. Eef Gratama (in samenwerking met Floor Borsboom en Koen van Gulik), ("La Méditerranée; la part de la milieu', 1966² (1949¹)), f 65 (geb), f 49,90 (pbk) ISBN 90 254 6966 3 (geb) ISBN 90 254 6969 8 (pbk)

Het is zeker het bekendste, en misschien wel het invloedrijkste geschiedkundige werk van deze eeuw, en het is nu, drieënveertig jaar na verschijning, in het Nederlands vertaald. Althans, het eerste deel. La Mediterranée van Fernand Braudel vertaalt men niet zomaar. De drie delen in twee banden tellen bijelkaar meer dan 600.000 woorden en dat is zelfs voor een Franse thèse nogal veel.

Het verhaal van De Middellandse Zee is te mooi en te bekend om niet nogmaals te vertellen. In 1924 werd de 22-jarige, zojuist afgestudeerde historicus Fernand Braudel als leraar aangesteld in Algerije. Daar ondekte de boerenzoon uit Lotharingen de Mediterannée, en al snel leek het onderwerp voor zijn dissertatie aan de Sorbonne duidelijk: de Middellandse-Zeepolitiek van de Spaanse koning Filips II. Er begon een lange tocht door de archieven (vol experimenten met eigengemaakte microfilm-apparaten), die onderbroken werd door een gastdocentschap in São Paolo in 1935. Toen Braudel twee jaar later per boot terugkeerde, trof hij als medepassagier de toen al fameuze Lucien Febvre, die in 1929 met Marc Bloch het historische tijdschrift Annales had opgericht. Annales was toen nog ""la revue des hérétiques'', een rebels blad waarin de moderne sociaal-economische aanpak centraal stond in een tijd dat politieke geschiedschrijving de canon was.

Braudel pakte de draad van zijn dissertatie op onder leiding van Febvre (die hem aannam als un enfant de la maison) aan de École Pratique des hautes Études in Parijs. Hier verschoof zijn perspektief van een studie over de mediterrane politiek van Filips II naar de politiek van Filips II als rimpeling in de Mediterranée. Hoofdonderwerp werd de Middellandse Zee zélf, alsmede de historische tijd, die Braudel verdeelde in de quasi onveranderlijke tijd (longue durée) die het mediterrane landschap met zich bracht, de sociale tijd van voorbijgaande economische en politieke organisaties, en de individuele tijd (courte durée) van de vluchtige evenementen.

Maar zo ver was het nog niet toen Braudel in 1939 werd gemobiliseerd, en vrijwel onmiddellijk na het begin van de vijandelijkheden in een krijgsgevangenkamp te Lübeck verdween. Daar schreef hij, geheel puttend uit zijn geheugen, in schoolschriften de eerste versie van zijn dissertatie, die hij uiteindelijk in 1947 zou verdedigen. Na de publikatie twee jaar later was de 1256 pagina's tellende studie in Frankrijk een onmiddellijk succes. Het boek was stevig verankerd in de Franse geografische "genre de vie-benadering' van Paul Vidal de la Blanche en in de sociologische aanpak van Marcel Mauss, en bovendien was het duidelijk genspireerd door het fameuze Mahomet et Charlemagne van de Belgische mediëvist Henri Pirenne (opmerkelijk genoeg ook in krijgsgevangenschap geschreven, tijdens de Eerste Wereldoorlog). Toch was La Méditerranée baanbrekend door de combinatie van die tradities, de originele benadering van tijd en ruimte, en vooral door de grootse ambitie van "totale geschiedenis'.

Het boek werd het vlaggeschip van de Annales-stroming. Vertalingen verschenen al in de vijftiger jaren in Italië en Spanje, later ook in Polen (waar de Franse nouvelle histoire zeer populair was) en schoorvoetend ook in de Angelsaksische wereld (pas in 1972), maar nu nog leest men geregeld in Britse vakbladen sneren over ""the intensely irritating Annales-style''.

Maar dat kon Braudel nauwelijks deren. Dank zij La Méditerranée was hij in Frankrijk de ongekroonde koning van het geschiedbedrijf geworden: tot 1970 leidde hij de VIe Section van de École Pratique des Hautes Études, was hij zo goed als alleenheerser over Annales, was hij directeur van het Centre des Recherches Historiques, presideerde hij over het Maison des Sciences de l'Homme, en was hij hoogleraar aan het Collège de France. Maar de meer dan twintig eredoctoraten die hem ten deel vielen, maakten hem niet onkwetsbaar. Van ketter was hij kopstuk van de gevestigde historische orde geworden en na de woelingen van 1968 gaf hij nolens volens al zijn posities op, om zich verder te wijden aan de voltooiing van zijn tweede magnum opus Civilisation matérielle, économie et capitalisme. Trouwens, Annales was ondertussen toch niet meer wat het geweest was: Braudel vond het zelf ook verworden tot ""het meest orthodoxe blad, dat zich alleen maar bekommert om carrières en grote namen''. Dat hij de nodige vijanden had gemaakt, blijkt uit het feit dat pas in mei 1985, een half jaar voor zijn dood, werd opgenomen in de Académie Francaise.

La Méditerranéee rest ons nu als een geschiedkundige klassieker. Natuurlijk, het werk staat niet meer ongeschonden overeind. We weten nu hoe juist de kritiek is op de soms verbijsterende onnauwkeurigheid, de geschiedkundige miskleunen (bijvoorbeeld over de Lage Landen), het gebrek aan aandacht voor mentaliteit, religie en geesteshouding, de overdaad aan geografisch determinisme, de chaotische theorie-vorming, en de uiteindelijke wankele samenhang tussen "structuur', "conjunctuur', en "evenement'. Wat blijft, is een werk met een verbluffende visie. Het is niet overdreven te zeggen dat de geschiedvorsing na La méditerranée niet meer hetzelfde is geweest. En dat kan van slechts weinig historische studies worden gezegd.