Leidseplein

Ze bestellen koffie. Hij legt een pakje Marlboro op tafel, een aansteker ernaast. Zij pakt z'n hand en neemt hem onder haar arm, zodat hij tegen haar borst komt te rusten, de hand van een tengere jongen uit Noord-Afrika, de borst van een stevige meid uit Groningen.

“Wat moet er van ons worden?” vraagt ze, maar hij begrijpt haar niet. “Wat moet er van ons worden?”, maar hij begrijpt haar nog niet. “Wat moet er van ons worden?”

Woorden die zich lenen voor wanhoop, maar zo klinken ze niet, ze klinken naar ironie, ironie met maar een zweem van hunkering, en ironie is pas het laatste wat begrepen wordt.

“Wat moet er van ons worden?” vraagt ze. “Van ons. In de toekomst.”

Trouwen ze? Ja, ze trouwen. Nemen ze kinderen? Ja, ze nemen kinderen. Jongens, meisjes? Nou, in ieder geval één jongetje. Blond met krulletjes. En bruine ogen.

De jongen steekt een sigaret op. De toekomst verdwijnt in de slavische klanken van een accordeon. Tegenover het terras heeft zich een bedeesd glimlachende muzikant opgesteld, korte broek en kaki overhemd, smetteloos als een padvinder. Na een tijdje gaat hij rond met een matroesjka-pop. “I'm from Russia”, legt hij uit.

“En bruine ogen”, herneemt het meisje, maar de aarde draait, als ze naar haar koffie reikt komt haar hand al in de zon, de nacht is onherroepelijk voorbij.