Kees van Kooten over voetbal; Bal maakt goal

Een nieuw motiefje, een slijtvastere laklaag, sterkere stiksels: de voetbal kan blijkbaar nog steeds worden verbeterd. De Olympiese bal van gisteravond leek mij op het oog alweer een fractie makkelijker, soepeler en lekkerder dan die bal van het laatste EK.

Als ik in mijn jeugd zo'n bal had gehad, dan was ik in het Nederlands Elftal gekomen en voor de Spelen van Tokio geselecteerd, samen met nog vier jongens uit mijn straat. Want technies gesproken waren wij stukken sterker dan de gemiddelde Eredivisiespeler van tegenwoordig; omdat de bal van onze jeugd niet alleen groter en zwaarder, maar vooral zachter, eiïger, gekker en gevaarlijker was.

Dat kwam doordat de buitenbal nog geen verzonken ventiel had, maar een strakke, met een lederen veter dichtgesnoerde sleuf waaruit wij 's woensdagsmiddags, direct na schooltijd, een lange, roodrubberen tuit te voorschijn pulkten om de sinds de week daarvoor geheel verschrompelde binnenbal zo hard mogelijk op te pompen. (Bij stuiten op steen moest de bal galmen; dan was hij goed hard.)

Nu was het de kunst om, na het terugtrekken van ons pompje, het ventiel ogenblikkelijk af te knijpen, dubbel te vouwen en met een elastiekje dicht te wikkelen. Dit lukte zelden zonder het gevreesde verlies van lucht en al helemaal niet wanneer je het gevecht met de bal in je eentje moest voeren. Om hem fatsoenlijk op te pompen had je dus assistentie nodig en voor het goed strak aan elkaar rijgen van de gapende lederen schede moest je ten minste met zijn drieën en een goede rijgpen zijn. En wanneer wij hem dan eindelijk dicht en min of meer rond hadden, was het buiten begonnen te schemeren.

Op de plek waar de dubbelgevouwen ventieltuit zich tegen de sluitveter verzette, vertoonde onze bal een langwerpige bult die er de schuld van was dat de baan van onze schoten tot op zekere hoogte altijd onvoorspelbaar bleef.

Bij schuivers, wanneer hij op weg naar zijn doel een paar maal over zijn eigen veter struikelde, kon het leder plotseling opwippen, pardoes van baan veranderen, iemand in zijn gezicht treffen of door een ruit vliegen.

Na een zogenaamde Dropkick (een in onbruik geraakte, door de voetballers van deze generatie niet langer beheerste traptechniek, waarbij wij de wreef tegen de bal drukten op het moment dat deze stuiterend de grond raakte) sloeg het leder vaak meteen haaks links- of rechtsaf.

Vooral bij een vuurpijl (welke speler van tegenwoordig heeft die poeier kaarsrecht omhoog nog in huis?) viel de zwabberende vlucht van onze bal prachtig waar te nemen en de sukkel die het waagde het neerkomende gevaarte te koppen en daarbij de van vier, vijf breukknoopjes voorziene leren veter op zijn hoofd kreeg, werd overgevend en in optocht naar zijn huis gebracht, waar hij een week lang met snijdende hoofdpijn op de sofa bleef liggen. De bal heette niet voor niets het Bruine Monster, in onze tijd!

(Het verhaal ging dat de Engelse linksbuiten Stanley Matthews zo exact kon voorzetten dat de riskante vetersluiting altijd naar het doel van de tegenstander wees en de midvoor zijn kop comfortabel tegen de gladde kant van de bal kon klappen.)

De hamvraag voor aanvang van ieder fredikeetje was dan ook: Met jullie bal of de onze?

Daar werd om getost en de ploeg die het leer van de tegenstander lootte, was vrijwel zeker de verliezer van het uren durende potje rauzen, aangezien alle spelers uit een en dezelfde straat de grillen van de eigen bal kenden als hun broekzak. De korfbal-uitslagen in het voetbal van voor het veterloze ballentijdperk zijn dan ook niet te wijten aan gebrekkige trainingsmethoden of een zwakke tactiek, maar uitsluitend aan het wispelturige, onvoorspelbare gedrag van de nog verre van volmaakte bal, die bij het eerste fluitsignaal alle tweeëntwintig spelers nog vreemd was,

Ik heb er de uitslagen van de voorronden in het Voetbal-Toernooi van de Olympische Spelen 1952 te Helsinki op nagekeken: Egypte-Chili: 5-4, Luxemburg-Gr. Brittannië: 5-3, Italië-Amerika: 8-0, Hongarije-Turkije: 7-1, Joegoslavië-Denemarken: 5-3, Hongarije-Zweden: 6-9!

Wij kunnen dus rustig stellen dat er in het voetbal een helaas voorgoed afgesloten epoque heeft bestaan waarin de meeste doelpunten nog werden gescoord door de bal zelf.