HOE AMERIKA NIEUW-GUINEA VAN NEDERLAND LOSWEEKTE

Een verloren land. De regering Kennedy en de Nieuw-Guinea kwestie 1961-1962 door Ben Koster 175 blz., Anthos 1991, f 32,50 ISBN 90 6074 702 X

Niet bekend

Luns gold in kringen van het Witte Huis en het State Department als de onverzettelijke kolonialist, die niet voor rede vatbaar was en slechts in tirades reageerde op voorstellen onderhandelingen met Indonesië te openen om deze slepende kwestie uit de wereld te helpen. In de vele boeken die in Nederland aan de worsteling rond dit laatste koloniale bezit in het Verre Oosten zijn geschreven, is uiteraard aandacht besteed aan de rol van de Amerikaanse regering. Dat gebeurde steeds vanuit het Nederlandse perspectief. Veel aandacht voor de Amerikaanse beleidsoverwegingen was er niet. Bij de betrokken ministers naderde ook jaren later de bloeddruk ongezonde hoogten wanneer zij vertelden over het bezoek van Robert Kennedy aan Nederland op 25 februari 1962. Deze jongere broer van JFK was volgens Luns een onmogelijke man waarmee niet viel te praten. Het ergerlijke was dat hij kort tevoren tijdens een bezoek aan Indonesië was gevallen voor de charmes van president Soekarno. Vervolgens overreedde hij zijn broer het beleid inzake Nieuw-Guinea om te gooien en aan te sturen op een snelle overdracht aan Indonesië.

GEZICHTSVERLIES

Ben Koster heeft in zijn Een verloren land. De regering Kennedy en de Nieuw-Guinea kwestie 1961-1962 de moeite genomen een speurtocht door de beschikbare Amerikaanse archieven te maken om de vraag te beantwoorden in hoeverre deze Nederlandse lezing van het Amerikaanse beleid te handhaven is. Zijn conclusie is dat in de "Robert Kennedy-versie' al te zeer op één man gespeeld wordt, terwijl de bal toch al veel eerder aan het rollen was. Eigenlijk was al in de nadagen van Eisenhower de koerswending ingezet. Het State Department was bang, dat Indonesië zou afglijden naar het Sovjetblok. Dat moest in elk geval voorkomen worden door in het land zelf steun te verlenen aan de anti-Soekarno groeperingen binnen het leger, en door de kwestie Nieuw-Guinea definitief uit de wereld te helpen door overdracht aan Indonesië zonder al te veel gezichtsverlies voor Nederland. Deze formule is onder de regering-Kennedy consequent toegepast. Washington behandelde de kwestie Nieuw-Guinea vanuit het perspectief van de Oost-West tegenstelling. Het vormen van een tegenwicht tegen de groeiende Sovjet-invloed in Indonesië was belangrijker dan het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea's. Bovendien beschouwden JFK en zijn adviseurs Soekarno niet in de eerste plaats als communisten, maar veel meer als nationalisten, wier eis ten aanzien van Nieuw-Guinea volkomen terecht was.

Washington heeft veel energie in de ""overdracht zonder gezichtsverlies'' gestoken. Want het Witte Huis, de National Security Council (NSC) en het State Department mochten het dan wel eens zijn over de formule als zodanig, over de aankleding en het tempo van de uitvoering liepen de meningen sterk uiteen. De zwakke minister van buitenlandse zaken Dean Rusk kon weinig bijdragen tot het beleid als zodanig, omdat hij er niet in slaagde de Europese en Aziatische afdelingen van zijn ministerie op één lijn te krijgen.

Nadat ten gevolge van het echec van de invasie in de Varkensbaai een grondige herschikking van personeel had plaatsgevonden, kreeg het State Department meer invloed op het beleid. Vooral via de nieuwe onderminister voor het Verre Oosten, de doorknede en rechtlijnige onderhandelaar W. Averell Harriman. De staf van de NSC kreeg daardoor vanaf het begin vrij spel in de ontwikkelingen van plannen. McGeorge Bundy en zijn medewerkers Robert Komer en Robert Johnson ontwikkelden het beleid. Voor de kleurrijke Komer, die vanwege zijn licht ontvlambare karakter en gepassioneerde presentatie de bijnaam Blowtorch had gekregen, ging het allemaal niet snel genoeg. Hij moest vaak in het zand bijten nadat zijn suggesties om de Nederlandse regering eindelijk eens de les te lezen niet verder kwamen dan het bureau van de wat bezadigder Robert Johnson of Bundy. Robert Kennedy speelde geen enkele rol van betekenis. Vitale beslissingen werden steeds door JFK zelf genomen, zowel in de periode van de aanloop tot de onderhandelingen in Middleburg als tijdens de onderhandelingen zelf.

Voor Nederland was eigenlijk het plan-Luns fataal. In Washington werd het niet gezien zoals het door Den Haag was bedoeld, namelijk als een behendige poging de groeiende internationale steun voor Indonesië binnen de Algemene Vergadering de wind uit te zeilen te nemen door het bestuur over Nieuw-Guinea te internationaliseren. De Amerikaanse regering interpreteerde het plan vooral als een teken dat Nederland van Nieuw-Guinea afwilde. Toen het plan-Luns in de VN zijn doel miste, toonde Washington zich eind 1961 uiterst gretig om Nederland een handje te helpen. Die drang tot daden werd ook ingegeven door de angst voor een Indonesische aanval op Nieuw-Guinea. Dat dit moest gebeuren volgens het Amerikaanse recept was duidelijk. Met het buiten de deur houden van Indonesië was het gedaan. De pil zou verguld worden door het niet tot een rechtstreekse overdracht te laten komen, maar een periode van interim bestuur door de Verenigde Naties in te lassen. Tevens stond vanaf het begin vast dat het gezichtsverlies ook beperkt moest worden inzake de heilige koe van het Nieuw-Guineabeleid: het zelfbeschikkingsrecht. De Papoea's zouden zich op een bepaald moment moeten kunnen uitspreken over hun politieke toekomst.

ACHTERSTE VAN DE TONG

De snelle bereidheid van Nederland en Indonesië om zonder voorwaarden vooraf onder leiding van een VN-bemiddelaar te praten, verbaasde de Amerikaanse regering. Als bemiddelaar werd de ervaren diplomaat en zakenman Ellsworth Bunker naar voren geschreven. Hij werkte nauw samen met het State Department bij de uitvoering van zijn opdracht. De Nederlandse onderhandelaar, ambassadeur dr. H. J. van Roijen, paste geheel in de Amerikaanse aanpak. Anders dan Luns had Van Roijen direkt bij het optreden van de regering Kennedy begrepen, dat er geen sprake meer van was dat Washington Nederland zou steunen bij een Indonesische aanval. Door zowel de Nederlandse als Indonesische onderhandelaars niet het achterste van zijn tong te laten zien en de druk op beide partijen gestaag op te voeren, slaagde Bunker er uiteindelijk in een akkoord te bereiken.

Bunker trad beslist niet eigenhandig op. Zijn optreden werd zorgvuldig vanuit Washington geregisseerd en aan Amerikaanse kant bestond de indruk, dat zowel Van Roijen als zijn Indonesische tegenvoeter Malik sterke behoefte hadden aan leiding en sturing van Bunker. Washington liet Nederland tijdens de onderhandelingen niet in de steek. Wel was men aan Amerikaanse zijde minder openhartig omtrent de doeleinden die men nastreefde, maar die voorzichtigheid was ingegeven uit angst dat te veel opening van zaken Luns de gelegenheid zou geven zijn voet te zetten in de porseleinkast van Middleburg. De Amerikaanse loyaliteit tegenover Nederland bleek ook uit het consequente verzet tegen de steeds nieuwe eisen die Indonesië ter tafel bracht. Met inzet van alle krachten aan Amerikaanse kant kwam het delicate proces van diplomatieke onderhandelingen tot een goed einde. Het was een prestatie van formaat, die in Den Haag indertijd niet erg werd gewaardeerd. Dat was voor een groot deel terug te voeren op de omstandigheid, dat het Internationale vraagstuk vooral vanuit de Nederlandse micro-kosmos werd bekeken.

Koster heeft met Een verloren land de ramen wijd opengezet. In zijn vlot en helder geschreven studie zijn de ontwikkelingen op de voet te volgen. De Nieuw-Guinea kwestie wordt aangepakt als een van de brandhaarden in het Verre Oosten, als een onderdeel van de strijd tegen het communisme. Ook verdient hij lof voor de typeringen die hij geeft van de personen die aan Amerikaanse kant bij de kwestie waren betrokken. Het is geruststellend te zien, dat de Amerikaanse ambassadeur in Jakarta, Howard P. Jones, in Washington niet zo serieus werd genomen als deze in zijn memoires doet voorkomen: van alle betrokkenen raakte hij het meest onder de indruk van Soekarno's en Soebandrio's charmes en dreigementen.