"Het is positief dat ik mezelf al op het podium heb zien staan'; "Ik heb me voorgenomen nooit iemand te haten. Dat keert zich tegen je.'; "Ik wilde profvoetballer worden, maar merkte dat de top niet haalbaar was'

Een collega-topsporter over bokser ARNOLD VANDERLIJDE: “Hij is een mooie jongen en als hij zijn mond opendoet komt er ook nog zo'n zoete zachte g uit. Vervolgens slaat hij in de ring een tegenstander z'n kop eraf. Dat past helemaal niet.”

Arnold Vanderlijde had gehoopt tijdens de openingsceremonie van zijn derde en laatste Olympische Spelen de Nederlandse vlag te dragen. “Het zou me strelen, een fantastische eer”, zei hij anderhalve maand geleden al. “O ja. Weet je, ik krijg nu al kriebels in mijn buik als ik er aan denk.”

Chef de Mission André Bolhuis besliste donderdagavond echter dat hockeyster Carina Benninga vanavond tijdens het defilé voorop mag lopen. Zij had in drie Olympische Spelen met een gouden en een bronzen medaille net iets meer gepresteerd dan Vanderlijde met zijn twee derde plaatsen. De bokser droeg zijn verlies als een een kerel. “Bolhuis heeft het me netjes uitgelegd. Ik vind het jammer, natuurlijk. Ik weet dat heleboel mensen het belachelijk vinden dat ik eerlijk heb gezegd dat ik de vlag wel wilde dragen. Maar ik schaam me er niet voor.”

Honderden keren heeft hij al gehoord en gelezen dat hij te aardig zou zijn voor een bokser. Vanderlijde vindt dat niet leuk, maar bekent dat dat soort opmerkingen hem wel lang “scherp” hebben gehouden. Het prikkelt hem nog steeds wel een beetje. “Maar ik denk dat ik mezelf nu wel genoeg heb bewezen. Dat ik geen knock-out'er ben, geen beuker, oké dat is wel duidelijk. Een echte beuk zal ik nooit in mijn handen krijgen. Dat maakt me toch geen mindere bokser?”

Toch is er bij Vanderlijde geen spoor van irritatie te bespeuren als wederom zijn imago als teddybeer ter sprake komt. Daarom blijft het moeilijk voor te stellen dat die aardige Arnold in de boksring vol haat een tegenstander te lijf gaat. Het is bij Vanderlijde ook geen haat, zegt hij. “Ik heb me voorgenomen om nooit iemand te haten in mijn leven. Ook in die ring niet. Haat keert zich op den ten duur tegen je. Je moet in de ring wel gecontroleerde agressie hebben. Ik ga er vanuit dat niemand over mij heen gaat, niemand mij kan verslaan. Ik ben ook weleens een beest in de ring. Het is een brutale sport, pas op. Als je straks een olympische wedstrijd ziet is dat hard, dat is knokken voor je leven. En winnen door knock-out geeft dan een kick.”

Maar dan doet hij zijn tegenstander dus wel pijn. Vanderlijde: “Die pijn valt wel mee. Hij heeft pijn omdat hij heeft verloren. Ik ga er vanuit dat hij net zo goed voorbereid is als ik. Dat hij dus makkelijk weer herstelt. Klappen uitdelen hoort bij het spel, is het belangrijkste. Ik heb nooit spijt van een klap die ik heb uitgedeeld, nee. Bij een knock-out hoop je wel dat zo'n jongen snel opstaat.”

Arnold Vanderlijde heeft, zegt hij, er nooit moeite voor gedaan een imago van de aardige, mooie en beschaafde jongen op te bouwen. “Ik houd er nu eenmaal me te soigneren, mooie kleren aan. Ik voel me lekker in een mooi kolbert met een stropdas om. Ik zit niet met oogkleppen voor. Ik heb een brede interesse. En ik heb van kindsaf aan geleerd hoe ik me in gezelschap moet gedragen. Ik ben dus gewoon mezelf. Dat is, denk ik, ook de kracht van mijn imago.” Hij heeft ook nooit overwogen “stoerder” te gaan praten of zijn accent te veranderen. “Dat zou toch heel eenvoudig zijn.” Vanderlijde begint dan spontaan "plat-westers' te praten. Het lukt hem een minuutje aardig. “Weet je wel, weet je niet.”

Ook in de ring wil hij er verzorgd uitzien. “Ik wil laten zien dat ik sterk ben. Dus mijn broek moet niet op half zeven hangen of zo.” Of het helpt om de jury te beïnvloeden? Hij denkt van niet. Hij zegt wel één duidelijk voorbeeld te kennen. Dat heeft met, zoals de Limburger hem noemt, “mijn eeuwige concurrent”, de Cubaan Felix Savon, te maken. “Hij is”, vertelt Vanderlijde, “twee keer zo breed als ik, loopt rechtop en ziet er gewoon goed uit. Hij is bovendien wereldkampioen en heeft dus een reputatie. Die totale uitstraling werkt in zijn voordeel. Dat merkte ik verleden jaar bij het WK. Ik verloor met 30-16 van hem. Gezien die score zou je dus zeggen: die is volledig weggeslagen. Maar het was juist een heel klein verschil. Ik sloeg hem zelfs neer in de derde ronde.”

“Het is gewoon zijn houding, zijn naam. Hij komt als een beest op je af, boem, gooit-ie die rechtse directe. Dan drukken ze die knop al in. Maar ik ben een technische bokser. Ik duik op het laatste moment weg of heb net mijn dekking hoog. Maar dan zit dat punt al in de computer, begrijp je.” De onvermijdelijke Savon is er straks in Barcelona natuurlijk ook weer bij. Vanderlijde: “Ik voel dat ik hem kan verslaan.” Hij maakte de grote Savon onlangs een week mee tijdens een trainingsstage in Hennef. “We hebben vrij beperkt contact gehad. Hallo, hoe is het, alles goed, verder niets. Mijn Spaans is ook niet zo goed.” Uiteraard meden de twee boksers elkaar ook in de ring. “Ik zag wel dat hij scherp is, maar dat ben ik ook.”

Hij zegt zich beter te voelen dan ooit. Dat komt, weet Vanderlijde, met name door de aanwezigheid van bondscoach Fritz Sdunek, een voormalige DDR-trainer. “Hij houdt van discipline. Als je een keer te laat komt krijg je dat te horen ook. Dat vind ik goed. Ik heb het nodig. Ik moet wakker worden gehouden.” Hij vindt het achteraf gezien jammer dat hij Sdunek, tevens zijn clubtrainer bij Bayer Leverkusen, niet eerder is tegengekomen. De Duitser heeft hem op tekortkomingen gewezen waar de Limburger geen erg in had. “Hij wist niet wat hij zag. Was ist loss? Was haben sie gemacht? Ik weet zeker dat ik verder was geweest dan nu als ik langer met Sdunek had kunnen trainen. En aangezien ik de nummer twee van de wereld ben had dat een wereldtitel of olympische titel ingehouden, ja.”

Olympisch kampioen of niet, het feit dat Arnold Vanderlijde als de gentlemanbokser door het leven gaat heeft hem zeker geen windeieren gelegd. Hij is één van de weinige Nederlandse amateursporters die door promotionele activiteiten financieel redelijk tot goed boert. De behoefte om prof te worden werd daardoor al snel minder en is er nu helemaal niet meer. En dat heeft volgens de 29-jarige Limburger niets te maken dat het er bij de profs ruiger aan toegaat en dat hij dan waarschijnlijk veel meer klappen zal moeten incasseren. “Ik heb op het punt gestaan een contract te tekenen.”

Bang om zijn ongehavende gezicht te beschadigen is hij niet. Want, zegt hij, dan kan je beter stoppen. “Maar ik let wel op. Ik kijk wel uit dat er niets gebeurt. Het spel is om zo weinig mogelijk klappen te krijgen. Ik weet dat er gevaren aan de bokssport vastzitten. Ik weet dat een harde klap op het hoofd hersenletsel kan betekenen. Ik ben realist. Ik probeer het gevaar zo klein mogelijk te maken door me optimaal voor te bereiden.” Hij zou een blijvende schram op zijn gezicht vervelend vinden, natuurlijk. “Maar het gaat bij mij verder. Mijn gezondheid is het belangrijkste, wat daar binnen zit.”

Hij was vroeger een bewonderaar van Mohammed Ali. “Wie eigenlijk niet. Jij, tante Leen, ome Henk, iedereen keek toch door hem naar het boksen.” Het verhaal van de Amerikaanse showman-bokser was goed voor zijn sport. Ali danste vrolijk door de ring, kreeg geen klappen en bleef ongeschonden. Voor het oog althans, want de legendarische sportheld lijdt tegenwoordig aan de ziekte van Parkinson en waggelt als een hulpbehoevende man door het leven. Dat komt niet door het boksen, zegt men. Maar wie gelooft dat. Vanderlijde ook niet helemaal. “Ik denk wel dat Ali sowieso die ziekte had gekregen. Het boksen heeft het proces alleen versneld. Hij is te lang doorgegaan. Tegen het einde van zijn carrière heeft hij toch nog veel klappen gekregen.”

“Mike Tyson”, realiseert Vanderlijde zich, “heeft het vermogen om iemand echt ongelukkig te slaan. Die heeft zo'n enorme klap in huis. Die heeft oerkrachten. Het komt maar één keer in de honderd jaar voor dat iemand zo sterk is.” De dramatische story van ex-kampioen Tyson die wegens verkrachting voor vele jaren achter slot en grendel zit doet de naam van de bokssport niet goed. Vanderlijde: “Het is net die tien, twintig procent die het slechte voorbeeld geven. Die er lelijk uitzien, die in de criminele sfeer verkeren. Dat betekent dat die andere tachtig procent zich constant moeten verdedigen. Ik heb het meegemaakt dat bedrijven wel wat met Arnold Vanderlijde wilden doen, maar zich niet wilden associëren met boksen.”

Toch is boksen zijn sport. “Vanaf het begin heb ik het gevoel gehad van: dit is het. Hier kan ik de absolute top mee bereiken. Als kind was dat mijn grote wens.” Hij kon vroeger goed hoogspringen en als voetballer haalde Vanderlijde de Limburgse jeugdselecties. Tijdens districtskampioenschappen stond hij onder anderen tegenover Frank Rijkaard. “Ik wilde profvoetballer worden, maar merkte dat de echte top niet haalbaar zou zijn. Ik miste te veel snelheid. Ik was te lang.” Hij verkoos toen boksen boven voetballen. Een bekentenis: “Ik koos toen niet wat ik het leukste vond, maar wat mij het beste afging.”

Hij geniet nu van zijn populariteit als bokser. Daar doet Arnold Vanderlijde, de sportman van het jaar, niet moeilijk over. “Dat de mensen je op straat herkennen is een erkenning voor mij als topsporter. Dat is goed, prettig.” In het olympisch dorp in Barcelona wordt hij door de Nederlandse deelnemers als één van de kopstukken van het Oranjeteam beschouwd. Vlaggedraagster Carina Benninga, buurvrouw van de boksploeg in het dorp, noemt Vanderlijde “de vader van de boksers”. “Dat was hij vier jaar geleden ook al voor Tuur en nu weer voor die anderen.”

Zo'n rijzige verschijning past eigenlijk ook niet knock-out te gaan. Het gebeurde Vanderlijde tot nu toe één keer in zijn loopbaan. Bijna niemand heeft het gezien, gelukkig maar. Het was in één of ander Duits dorp, begin januari tijdens een Bundesligawedstrijd. Tegenstander Schnieders sloeg de Nederlander met een rechtste directe op de kin tegen het canvas. Heel maf, noemt Vanderlijde die ervaring. “Ik ben waarschijnlijk maar een fractie van een seconde weggeweest. Ik stond meteen weer op. Alleen de coördinatie in mijn benen was weg. Hier boven was ik helemaal bij. Ik zag ook de vingers van de scheidsrechter voor mijn gezicht, eins, zwei, drei, vier. En ik zei: Machen Sie weiter. Nichts loss, go. Maar mijn benen wilden dus niet meer. Niet leuk.” Maar zielig, nee zielig heeft Vanderlijde zich toen niet gevoeld. “Het hoort er allemaal bij”, zegt hij stoer.

Hij is niet van plan in Barcelona tegen het canvas te gaan. Wel heeft Vanderlijde, bekent hij, zichzelf in gedachte al op het erepodium gezien. “Met mijn hand op het hart luisterend naar het Wilhelmus.” Want Arnold Vanderlijde wil na twee bronzen medailles (“Die koester ik. Ze liggen thuis opgeborgen in een kluis”) nu natuurlijk Het Goud. “Je bokst een wedstrijd altijd drie keer, ervoor, tijdens en erna. Het is heel positief dat ik mezelf al op het schavot heb zien staan.”