Glyndebourne (1)

Britten hebben iets met carpet. Neem nu Gatwick Airport. Als je daar geblinddoekt landt en je kan een beetje onder je blinddoek doorkijken, dan weet je, langs je neus weg: Engeland. Vooral op dat stukje waar het proefparket ligt, in de Carpet Trial Area. Van die onbestemde patterns en kleuren. Brits.

Hetzelfde geldt voor de trein. British Railways hebben een merkwaardige maar opgewekte stof uitgezocht waarmee de banken zijn bekleed. Als een afterthought hebben ze vervolgens de wand naast de bank en de zijkant van de armleuning beplakt. In een aansluitend blauw, niet dezelfde kleur, niet dezelfde stof, meer een soort trijp. Wel blauw maar anders. En nog steeds zeer Brits.

De deuren sluiten niet vanzelf, dus een perronchef kwam woedend achter me aan en kwakte hem zo hard dicht dat iedereen uit zijn bank veerde. Ik weet niet of u het geluid kent van een Britse treindeur die dichtvalt maar ik denk dat het in Zwitserland lawines zou veroorzaken.

Ik zat eerst naast een man die uit zijn ooghoeken naar me keek - op die manier denken mensen dat het niet opvalt; terwijl het juist enorm opvalt, iemand die zijn gezicht stilhoudt, maar zijn ogen zijwaarts rolt. Tegenover me een man die ongelukkigerwijs bedekt was met wratten. Gezicht en nek. Hij droeg een verbleekt, bleek poloshirtje en hij sliep op de manier van mensen van wie het hoofd naar voren valt. Bij hem viel het vrijwel niet, want bij het minste knikje opende hij snel de ogen en trok het hoofd weer naar achteren. Hij deed dat ook op het moment dat ik zat te bestuderen hoe hij zich nu precies langs een grote wrat net onder zijn kin kon scheren. Ik keek snel voor me, maar hij had mijn vorsende blik gelukkig niet opgemerkt. Ik deed nog aan enige afleiding, mocht hij wederom kijken, door het punt onder de bank waarheen mijn blik was gevlucht, gedurende een volle minuut te blijven bezien met het onthechte gezicht van iemand die oeverloos in gedachten is verzonken, dus afhangende wangen en een wat doffe niets ziende blik.

Ik had op het station met een telecomkaart (hoe weet je dat ze "op' zijn?) gebeld naar mijn logeeradres, waar een huisbewaarder me sterk afraadde naar Brighton te reizen, maar me Polegate opgaf (door mij twee keer verstaan als Colgate), het laatste station vóór Eastbourne. Ik zat dus keurig in het voorste gedeelte van de trein (het achterste zou ergens anders heengaan) na te denken over de Life Rail waar mensen bij spoorwegovergangen voor gewaarschuwd worden. Niet aanraken! Maar, dacht ik, honden, kinderen, analfabeten, ouden van dagen met zware koffers, vroeg of laat dondert er iemand op de Life Rail, nietwaar? Nooit iets over gelezen.

In Polegate zag ik over het witte punthek dat het perron van de straat scheidt, meteen de race-groene Corniche waarmee ik afgehaald werd. Ik mocht rijden ""omdat ik dat zo leuk vond'' en het was leuk. Automaat aan groot stuur. Veel bekrachtiging en redelijk veel power. Geruisloos op het hout van het dashboard na dat tegen het leer van de bekleding kraakt als de weg oneffen wordt. Zadelzeep werd aangeraden.

Nu is het alweer een dag later en zit ik in de Morning Room te schrijven op personified briefpapier uit The Mandarin, Hong Kong, terwijl ver weg, in de keuken, een kleine radio J'attendrai ten beste geeft. Niet van Rina Ketty maar van een man. Charles Trenet misschien, en het lijkt wel 1937, voor zover ik me dat jaar herinner. Buiten, in een Japanse tuin waar zelfs een drooggevallen beek is nagemaakt, tript de ekster rond waartegen we Good Morning Your Lordship, how's your Ladyship today? moeten zeggen. Om ongeluk af te weren. Op mijn rechtervoet ligt een zwart-witte Jack Russell, Napoleon genaamd, die al in de auto vriendschap sloot vanwege het feit dat ik af en toe het woord richt tot dieren. Onder de vier overige honden viel me de Vizsla op die slechts op drie poten loopt omdat zij denkt dat haar rechterachterpoot pijn doet. Bij onraad of spel vergeet zij het echter, en geen enkel onderzoek van het ledemaatje doet haar pijn, terwijl honden bekend kleinzerig kunnen zijn.

Als ik via de open deur kijk, kan ik net een van de vier schilderijen van Leon Vié zien, twee aquarellen waarvan eentje 's nachts gemaakt van een hoek van de keuken, een kopie van Degas en een olielandschapje. Hij schreef voor deze krant de rubriek Denk Mee Met Vié en bevestigde mijn domheid door af en toe een vraagstuk op me te testen - of het ook op de domme manier (= de mijne) opgelost kon worden, dus niet via de wiskundige methode.

Als onderlegger om op te schrijven heb ik Debretts People of Sussex, waarin ik lees dat Princess Beatrice of York èn haar jongere zusje eerder op de troonopvolging kunnen rekenen dan Prince Edward of de Princess Royal (die van de paarden) of zelfs Princess Margaret. En dat de Britse koningin The Queen's Service Order van New Zealand heeft verworven en haar man de Queen Elizabeth II Coronation Medal 1953. En dat de Princess Royal (Princess Anne) zich voornamelijk heeft gericht op de Verbindingsdiensten van het leger en daar buiten.

Er valt dus veel te leren, al was het alleen maar het verschil tussen Lady, The Lady en The Hon. Lady.

Er komt nu een reiger landen in de Japanse vijver, maar een net weerhoudt hem en de honden verjagen hem. Mistroostig wiekt hij heen. De zoveelste teleurstelling, valt op zijn gezicht te lezen. Zijn plaats wordt later ingenomen door drie grijze eekhoorns (volgens mij is er geen roodbruine soort in Engeland) die iets uit het gras opgraven. Je hoort ze niet, zoals het hoort in een Japanse tuin. Een heel klein beetje wind, dat is alles.

Ik moet me gaan verkleden voor het eten, want als Engelsen zeggen: We dress for dinner dan bedoelen ze niet: we zitten aangekleed aan tafel. Morgen naar Glyndebourne, net voor het tijdelijk afgebroken wordt. Ik bericht u.