Franse ex-ministers: wij hebben te goeder trouw gehandeld; Veel emoties bij Aids-proces; "Ik vertegenwoordig de Republiek'

PARIJS, 25 JULI. Drie Franse ex-ministers, onder wie ex-premier Laurent Fabius, zijn gisteren in een hoogst emotionele sfeer in Parijs als getuige gehoord in het proces over het "medisch schandaal van de eeuw': de besmetting met het HIV-virus van naar schatting 1.200 hemofiliepatienten. De hemofilielijders kregen in de jaren 1984-'85 bloed toegediend waarvan de Franse bloedtransfusiedienst wist dat het besmet was met dit virus dat Aids kan veroorzaken. Meer dan 250 hemofiliepatienten zijn sindsdien aan aids overleden.

Fabius, die vrijwillig verscheen, alsmede de ex-minister van sociale zaken en gezondheid, Georgina Dufoix, en haar staatssecretaris voor gezondheid, Edmond Hervé, verklaarden na een spervuur van vragen dat ze bij hun beleid te goeder trouw hadden gehandeld op basis van adviezen van hun naaste medewerkers. Staatssecretaris Hervé, wiens autoritaire optreden (“Ik ben een afgevaardigde van de Republiek”) heftige protesten in de propvolle zaal uitlokte, zei dat hij nooit op de hoogte was gesteld van de risico's die de bloedtransfusiedienst nam.

Voor het toedienen van besmet bloed in 1984-'85 staan vier artsen terecht: directeur Michel Garetta van de nationale bloedtransfusiedienst CNTS en diens naaste medewerker Jean-Pierre Allain, de directeur-generaal voor gezondheid van het ministerie van sociale zaken prof. Jacques Roux en de directeur van het Nationale gezondheidslaboratorium Robert Netter. Garetta en Allain riskeren een gevangenisstraf van maximaal vier jaar als blijkt dat ze schuldig zijn aan “bedrog” (over de kwaliteit van een produkt) op basis van een wet uit 1904. Roux en Netter wordt verweten dat ze geen “hulp aan personen in gevaar” hebben geboden, een vergrijp dat eveneens met enkele jaren gevangenis kan worden bestraft.

Bij het begin van het proces op 22 juni lanceerde een advocaat de vraag: Waar zijn de ministers? Na vijf weken verhoren stond gisteren, toen de ministers als getuige verschenen, een essentiële vraag centraal waarop de belangrijkste verdachte, directeur Garetta van de bloedtransfusiedienst, het antwoord schuldig was gebleven. Werd het leven van honderden mensen opgeofferd om enkele tientallen miljoenen francs te bezuinigen?

In een officieel onderzoeksrapport over de gang van zaken bij de CNTS stelde de inspectie van het ministerie van sociale zaken vorig jaar dat de verantwoordelijke autoriteiten in de eerste maanden van 1985 bloed van donors systematisch op het voorkomen van het HIV-virus hadden moeten laten onderzoeken en, belangrijker nog, hadden moeten bepalen dat dat alleen verhit bloed (door verhitting wordt het HIV-virus gedeactiveerd) verstrekt mocht worden.

De vier auteurs van het rapport, die hun onderzoek in opdracht van de regering verrichtten, stelden in hun conclusies dat “overwegingen van industriële politiek” en “psychologische angsten” de doorslag hadden gegeven. Het systematisch onderzoek naar HIV-besmetting van bloed werd pas op 1 augustus 1985 ingevoerd en pas op 1 oktober van datzelfde jaar besloot de regering dat de ziekteverzekering de kosten van het gebruik van niet-verhit bloed niet langer zou vergoeden. Ex-staatssecretaris Hervé zei gisteren dat financiële overwegingen noch industriepolitiek een rol hadden gespeeld.

De verantwoordelijkheid van het CNTS en in het bijzonder directeur Garetta voor dit beleid is tijdens de verhoren duidelijk vastgesteld. Garetta ging niet in op een voorstel tot samenwerking van het bloedtransfusiecentrum in Lille dat vanaf half 1984 uitsluitend verhit bloed gebruikte, dat uit België werd geïmporteerd. Op grond van de politiek van "zelfvoorziening' die bij het CNTS gold, beëindigde hij half 1984 besprekingen met de Oostenrijkse firma Immuno die verhit en dus veilig bloed kon leveren.

En in juni 1985 deelde Garetta in een circulaire aan de CNTS-medewerkers mee dat de “verstrekking van niet-verhitte (bloed)produkten de normale procedure blijft zolang de voorraad strekt”. Dit besluit is het schandelijke hoogtepunt in het drama omdat Garetta en zijn rechterhand Allain met honderd procent zekerheid wisten dat alle bloedprodukten waarover het CNTS beschikte, met het HIV-virus waren besmet. Pas in oktober ging het CNTS over op verhit bloed. In de tussenliggende tijd werd een onbekend aantal, maar waarschijnlijk enkele honderden, hemofiliepatienten besmet met Aids.

Garetta en het CNTS lieten zich bij deze besluiten leiden door een “industriële politiek die door het openbaar bestuur was opgesteld”, aldus verklaarde Gerard Jacquin, onder-directeur van het CNTS in 1984-'85. Hij omschreef deze politiek als de “voorbereiding van de bloedtransfusie en het CNTS op een Europese markt voor bloedprodukten”. Bij de invoering van het testen op het voorkomen van Aids-virussen in bloed gaf hetzelfde protectionisme de doorslag. De Amerikaanse firma Abbott die een dergelijke test had ontwikkeld, werd aan het lijntje gehouden - het CNTS wachtte eenvoudig tot het Institut Pasteur eenzelfde test had ontwikkeld.

Pasteur was in maart 1984 gereed en de test van het Franse instituut werd al een maand later in de Duitse Bondsrepubliek als medisch verantwoord geautoriseerd. In Frankrijk duurde het enkele maanden langer voordat de Pasteur-test werd ingevoerd. Jean Weber, in 1984 directeur van Pasteur-Diagnostic, verklaarde dat het uitstel werd ingegegeven door financiële overwegingen (de betrokken test is vrij duur en de ziektekostenverzekering had al een tekort) en uit vrees voor de indruk die een dergelijk besluit op de publieke opinie zou hebben. Alleen al dit uitstel had volgens sommige deskundigen tot gevolg dat 200 tot 400 mensen door transfusie met besmet bloed seropositief werden.