Fodor

Op de achterpagina van 8 juli probeert Henk van Gelder de naamgever van Museum Fodor, Karel Fodor (1810-1860), aan de vergetelheid te ontrukken. In het voorbijgaan noemt hij diens vader, Carel Anton Fodor, als een clavecimbelleraar, orkestmeester, en kolenhandelaar. Deze Carolus Antonius Fodor (1768-1846) is een nog fraaier voorbeeld van een van de profeten die Amsterdam niet geëerd heeft.

Hij is niet "wellicht', maar zeker van Hongaarse afkomst; zijn vader was als beroepsmilitair in Hannoverse dienst tegen 1750 in Venlo neergestreken en daar gehuwd. De nakomelingen zijn een avontuurlijk muzikaal leven begonnen: een zoon belandt als violist en componist in St. Petersburg, een ander in Parijs, en Carel Anton, na omzwervingen die hem langs beide genoemde plaatsen voerden, in Amsterdam.

In het begin van de negentiende eeuw bekleedt hij leidende posities in het Amsterdamse muziekleven; dirigent van vooral het orkest van Felix Meritis, muziekleraar, en gevierd pianist. Samen met zijn vriend Johan Willem Wilms (1772-1847) moet hij bovendien genoemd worden als het beste wat er op dat moment als componist (in Amsterdam en in Nederland) werkzaam is.

Terwijl ik dit schrijf klinkt zijn vierde symfonie uit 1801 - wellicht de enige opname die van zijn muziek in omloop is. Het is een origineel werk, vol romantische en robuuste wendingen die op Beethoven en Schubert vooruitlopen (1801!). Britse muziekbladen hebben de onlangs op de buitenlands CD-label heruitgebrachte opname een "geweldige verrassing' genoemd.