Europa heeft een historische plicht

In hartje Europa, op slechts enke- le honderden kilometers van ons verwijderd, woedt een krankzinnige oorlog. De slachtoffers van deze oorlog zijn de 850.000 mensen die zijn omsingeld in hun steden en dorpen in Bosnië-Herzegovina en honger lijden. Slachtoffer zijn echter ook die 2,3 miljoen mensen die in het buitenland tijdelijk hun toevlucht hebben gezocht. Hun aantal stijgt dagelijks met ongeveer tienduizend.

Oorlogen hebben altijd al stromen vluchtelingen in gang gezet. De aantallen hoeven ons ook niet te verbazen. Maar dit conflict baart een nieuwe variëteit van verschrikkingen. De massale vlucht lijkt nu niet het resultaat, maar het doel van de oorlog te zijn. Verreweg de meeste vluchtelingen worden uit hun huizen gedreven door de verderfelijke praktijk die ook wel bekend staat als "etnische zuiveringen'.

De Conventie van Genève van 1951 is juist opgesteld ter bescherming van dergelijke vluchtelingen - ter bescherming van de slachtoffers van etnische vervolgingen die moeten vluchten om hun leven te redden. Zij zijn geen economische vluchtelingen. Het gaat in hoofdzaak om vrouwen, kinderen en bejaarden. Ze willen zich niet in het buitenland vestigen. Ze zoeken slechts een veilig toevluchtsoord, tot ze weer kunnen terugkeren naar huis, naar hun echtgenoten, hun vaders en hun zonen. Ze hebben maar weinig verlangens: een dak boven hun hoofd, voedsel om te kunnen overleven en medicijnen als ze ziek zijn. Ze vragen slechts enkele maanden in veiligheid - tot de kanonnen zwijgen en ze kunnen terugkeren. Kan Europa het zich niet veroorloven iets met hen te delen?

Het kleine Malawi, een door droogte geplaagd land met acht miljoen inwoners, bood aan bijna een miljoen vluchtelingen bescherming tegen de oorlog in Mozambique. Bangladesh, een van de armste landen van de wereld, heeft zijn deuren geopend voor driehonderdduizend mensen die zijn gevlucht uit Birma. Heeft Europa minder te delen dan deze landen?

De ouderen, verbijsterd en geschrokken, zijn zeer kwetsbaar. Toen ik een paar weken geleden in het voormalige Joegoslavië was, trof ik daar de 86-jarige Jela K. Bij haar vlucht uit de stad Vidovice werd zij van haar familie gescheiden. Zij was blind en alleen. “Wat heeft u nodig? Hoe kunnen wij u helpen?” vroeg ik haar. “Wat ik nodig heb?” gaf zij ten antwoord, “ik zou alleen maar graag naar huis terugkeren”. Jela heeft geen paspoort. Zou Europa de deur voor haar neus dichtslaan?

De kinderen zijn de droevigste gevallen. Mijn medewerkers in het oorlogsgebied melden mij dat in de belegerde steden dagelijks ten minste twintig kinderen sterven aan zware ondervoeding - en dat in Europa, in het jaar 1992. Nog maar een paar maanden geleden gingen deze kinderen naar school, dansten zij op de nieuwste hit van de groep New Kids on the Block, bekeken zij elkaars speldjesverzamelingen en keken ze vermoedelijk te veel televisie. Nu houden vele duizenden van deze kinderen zich schuil in stinkende kelders, waar ze niet veel anders te eten krijgen dan gras en wortelen die hun ouders opscharrelen in maanloze nachten als de honger de angst voor de gevaren buiten verdringt.

De steden boven hun hoofden worden door zwaar artilleriegeschut in puinhopen veranderd. Hele plaatsen worden van de kaart geveegd. De kinderen leven met honger, ziektes en - het ergste van alles - met vreselijke angst. Velen van hen hebben al moeten toezien hoe buren werden weggevoerd en niet meer terugkeerden. Ze hebben het lawaai van de kanonnen en het geschreeuw moeten aanhoren. Ze werden midden in de nacht wakker gemaakt en door boosaardige, vaak dronken soldaten weggevoerd. Velen hebben gezien hoe hun woningen en huizen werden verwoest en hun moeders werden verkracht. De meesten hebben al maanden niets van hun vaders gehoord.

Europa heeft de historische plicht de onderdrukten een toevluchtsoord te bieden. Dergelijke tradities zijn te waardevol om ze luchthartig overboord te gooien. Gelukkig handhaven de meeste landen die de visumplicht hebben ingevoerd deze niet heel streng. Veel landen hebben zulke beperkingen haastig opgeheven, een gebaar dat door bondskanselier Helmut Kohl "een Europese daad van menselijkheid' wordt genoemd.

Wij, het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties, hebben voor 29 juli een internationale spoedvergadering bijeengeroepen. Daar moeten manieren worden gevonden om humanitaire hulp te geven aan het voormalige Joegoslavië. Zolang zulke oplossingen zich nog niet aandienen, vragen wij de deuren en harten open te houden voor iedereen die gedwongen is te vluchten.

© Die Zeit