Een moeizame verschijning

Hoe vergaat het "moderne' stiefgezinnen die niet ontstaan zijn na het overlijden van een van de ouders, zoals in vroeger tijden vaak het geval was, maar door echtscheiding? Het oordeel was lange tijd nogal negatief: het zou er zelden goed gaan en behoorlijk zielig zijn om erin op te groeien.

Recent onderzoek toont aan dat het over het geheel genomen wel meevalt, zeker na enige tijd. Bijna driekwart van de kinderen in stiefgezinnen ontwikkelt zich gunstig, luidt een van de bevindingen van de socioloog Ed Spruijt die onderzoek deed onder tweehonderdvijftig stiefgezinnen. Na twee jaar blijken in de meeste gevallen de belangrijkste problemen overwonnen.

Maar algemene uitspraken doen geen recht aan de grote variatie die er tussen stiefgezinnen bestaat. Er zijn verschillende oplossingen mogelijk voor het probleem van breuk, scheiding en de komst van een nieuwe ouder. Men kan doen of het verleden voorbij is en verklaren dat dit nu de nieuwe vader of moeder is. In dertig procent van de stiefgezinnen verloopt het ongeveer zo, en hebben de kinderen nauwelijks of geen contact met de vertrokken ouder. Een andere oplossing is om wél regelmatig contact met hem of haar te houden, met alle ingewikkeldheden van dien. Dat gebeurt in ongeveer de helft van de gevallen.

Dit verschil vormt de basis voor een indeling in het "gesloten' en het "open' stiefgezin, met daartussen het "verdeelde' type waarin geen overeenstemming bestaat over de vraag van wel of geen contact en tal van andere kwesties. In dat laatste type zijn de kinderen er het slechtst af: alles is beter dan voortdurend geruzie, geschipper en gebrek aan eenduidigheid.

Dat laatste viel te verwachten: voor kinderen gaat niets boven duidelijkheid. Ze hebben vaste regels nodig, en de heilzame werking van de alles tolererende non-autoritaire opvoeding blijkt een van de grote misvattingen van de jaren zestig. Maar andere uitkomsten vond ik minder voor de hand liggend. Terwijl ieder weldenkend mens in mijn ogen een voorstander is van regelmatig contact, blijken kinderen in gesloten stiefgezinnen zich gunstiger te ontwikkelen. Ook zijn de ouders en stiefouders in de gesloten, ontkennende gezinnen tevredener dan die uit het open, erkennende type. Hoe valt dit te verklaren?

Bij nader inzien is het natuurlijk niet zo verwonderlijk. De oplossing van de oudervervanging - "en dit is je nieuwe vader of moeder' - druist in tegen al onze moderne ideeën over openheid, erkenning en bespreekbaarheid, die het stiefbestaan er niet eenvoudiger op maken. Je voorkomt met de "gesloten oplossing' ingewikkelde loyaliteitsproblemen voor de kinderen - "welke ouder is aardiger' - en rivaliteiten tussen de ouders en stiefouders: "bij wie heeft het kind het 't leukst'.

De gesloten oplossing is natuurlijk overzichtelijker voor de kinderen: het geeft duidelijker structuur, meer regelmaat en houvast, en vooral ook meer rust. Ze hoeven niet steeds te pendelen tussen twee ouders, al dan niet met nieuwe gezinnen, die hen kunnen bestoken met claims en rancuneuze verhalen over de andere ouder. En zelfs als alles zonder veel ruzie en rancune verloopt, dan betekent het nog voor kinderen een voortdurende fysieke en mentale overschakeling van het ene naar het andere nest.

Wat betekenen dergelijke uitkomsten, en in hoeverre geven ze houvast in het moeilijke parket waarin net gevormde stiefgezinnen zich bevinden? Allemaal nu maar het contact verbreken met de vertrokken ouder, zand over het verleden en fris een nieuwe toekomst tegemoet? Ik moet er niet aan denken, ook niet met kennis van deze onderzoeksbevindingen. Het enige dat er uit te leren valt, is dat er geen pasklare oplossing is die voor iedereen het beste is, en dat het ervan afhangt.

In de beide typen heerst bijvoorbeeld een ander opvoedingsklimaat. In het open stiefgezin is het opvoedingspatroon democratischer: er wordt veel overlegd en de kinderen worden bij beslissingen betrokken. In het gesloten type waait een meer een autoritaire wind. Sommige kinderen, de meer zelfstandigen, gedijen het best in een open klimaat, en kinderen die zich snel aanpassen en volgzamer zijn passen beter in het tweede type. Kinderen uit het verdeelde type stiefgezin zijn het meest het kind van de uiteenlopende rekeningen. Wat er natuurlijk ook veel toe doet is de voorgeschiedenis: waar van tevoren veel gemept is en geruzied, kan de behoefte van kinderen aan rust en regelmaat heel groot zijn, en die valt soms meer te vinden in het gesloten type.

Wat verder niet te voorzien valt is hoe kinderen uit stiefgezinnen het later zullen maken, en welke oplossing op langere termijn gezien beter is. Het verbreken van het contact kan bijvoorbeeld in eerste instantie een enorme opluchting geven. Maar een onverwerkt verleden kan veel later, op onverwachte wijze, de kop opsteken, bijvoorbeeld bij het aangaan van eigen verhoudingen.

En de stiefmoeder? Is de moderne stiefmoeder beter toegerust voor haar taak, en heeft ze minder last van juridische en emotionele achterstelling, van haarzelf en haar eigen kinderen, dan haar boze voorgangster in de sprookjes? Ze blijkt vooral erg haar best te doen en soms om te komen in haar eigen (stief-) moederlijke ambitie om het allemaal zo vreselijk goed te doen. Ze blijkt, gemiddeld gezien, enthousiast om aan haar nieuwe taak te beginnen: om de handen uit de mouwen te steken en orde op zaken te stellen in het in wanorde geraakte gezin van haar nieuwe man. Ze krijgt juist dan vaak de kous op de kop, want ze wordt ondanks haar goede bedoelingen door de kinderen als een bemoeizuchtige indringster ervaren. Zielig genoeg voor haar, maar begrijpelijk vanuit de kinderen gezien. Net als in de vroegere sprookjes is haar verhouding met de stiefdochter het moeilijkst.

Werd de stiefmoeder vroeger vooral gezien als slecht, boosaardig en jaloers, nu verschijnt ze eerder als iemand die te veel wil, verwacht en haar best doet. Vroeger kon ze geen goed doen, nu wil ze het juist te goed doen. Ze blijft, kortom, een moeizame verschijning.