Diepe droefheid en taaie overlevingsdrift heersen in vluchtelingenkamp Gasinci; Inplaats van de zomer tekenen de kinderen uit Bosnië de oorlog

Foto: DJAKOVO, 25 JULI. “Ik vraag ze om de zomer te tekenen, maar ze tekenen de oorlog”, zegt Fatima (35), onderwijzeres uit het Bosnische Jajce, die in Kroatiës grootste vluchtelingenkamp haar beroep probeert voort te zetten. Aan alles is gebrek in het kamp, maar er zijn wel kleurkrijtjes en de gevolgen blijven niet uit: kindertekening na kindertekening met vliegtuigen, tanks, bommen en ontploffingen, en vluchtelingen - mannetjes en vrouwtjes met in iedere hand een bundeltje.

Fatima heeft voor tent 158 zowaar een schijn van gezelligheid weten te creëren, met potten bloemen en een van hout en paardedekens vervaardigd zitje. Net als de anderen hier, is ze een paar weken geleden uit Bosnië gekomen, ontvlucht aan het vooral tegen de moslims gerichte geweld, onzeker over het lot van haar meeste familieleden, ook over dat van haar man, en volstrekt onzeker over haar toekomst.

Fatima geeft les, ze is een van de honderd vluchtelingen - op een totaal van drieduizend - die hier, wonend in tenten op een verlaten schietterrein van het Joegoslavische leger, bezig zijn in de vrijwilligersbrigade. De vrijwilligers helpen in de keuken, zorgen voor de hygiëne en voor het schoonhouden van het kamp. De rest zit doelloos voor de tenten-rijen, denkt over de ontvluchte gruwelen. Oude mensen hijgen zwaar, want het is, zelfs onder de bomen, gruwelijk warm in de flauw golvende heuvels van Oost-Slavonië. Overal zitten mensen stilletjes te huilen.

Het kamp heet naar het dichtstbijzijnde dorp, Gasinci. Het ligt dicht bij het Servisch-Kroatische front in deze streek, maar het is geheel bestemd voor de vluchtelingen uit de oorlog in Bosnië.

De capaciteit van het kamp wordt binnenkort uitgebreid tot vijfduizend mensen, maar dan nog is het een druppel op de gloeiende plaat, meent directeur Njedjelko Simic, werknemer van de sociale dienst in de naburige provinciehoofdstad Djakovo. “Er zijn geruchten dat er wel 100.000 mensen onze kant opkomen. Waar moeten die blijven, als ze niet naar het Westen mogen? Die kunnen we helemaal niet voeden. In Djakovo zelf, dat 20.000 vaste inwoners heeft, zijn nu uit beide oorlogen 10.000 vluchtelingen, die alle scholen, hotels en sporthallen bevolken. Het is alsof u in Nederland 3,5 miljoen vluchtelingen tegelijk te verwerken krijgt.”

Het kamp Gasinci zal, volgens een overeenkomst die deze week in de Kroatische hoofdstad Zagreb werd gesloten, door de Arabische Liga worden gefinancierd, maar de directeur laat met ingehouden sarcasme weten dat hij dat ook alleen maar uit de krant weet. Voorshands houdt hij maar vast aan zijn lijst met benodigdheden voor goedwillende gevers. Op die lijst staat kort gezegd bijna alles: van tenten en bedden tot babyvoeding en ook gewoon voedsel, rijst bijvoorbeeld, en ontsmettingsbenodigheden. Ook een radio of televisietoestel, of een busje zouden goed van pas komen, want het kamp ligt bijna geheel geïsoleerd, met alleen een dorpje met wantrouwige boeren in de directe omgeving. “En verder moet u zelf maar bedenken, wat mensen nodig hebben die niets anders hebben kunnen meenemen dan het naakte leven”, zo eindigt de circulaire.

Direct na binnenkomst worden we aangesproken door de twaalfjarige Arma, uit Donju Vakuf, die zichzelf van de televisie Engels heeft geleerd, en goed ook, met een onvervalste Amerikaanse tongval. Geroutineerd, we zijn niet de eerste bezoekers, leidt ze ons rond. Ze vertaalt gesprekjes met de vluchtelingen, oud en jong, ten diepste bedroefd of gedreven door taaie overlevingsdrift, de zieke ouderen in de tenten, of de luidruchtige kinderen, voor wie het allemaal nog een beetje een kampeervakantie lijkt. Het zijn de gebruikelijke verhalen: over bombardementen, verkrachtingen, veel verkrachtingen, eindeloze voettochten om aan het geweld te ontsnappen, over onzekerheid over de mannen, die zijn achtergebleven om te vechten, over het gebruik van de burgerbevolking als menselijk schild om een dorp binnen te komen en te "zuiveren' van moslims.

Af en toe ontstaat er ruzie. “Ze hebben ons hier opgesloten”, zegt een vrouw fel, “en ze hebben wel flessen prik voor ons, maar die reiken ze niet uit.” Een ander zegt: “Wat wil je die mensen nu wijsmaken? We hebben toch te eten. Waar mijn man is, dat vind ik een heel wat belangrijker probleem.” De twaalfjarige vertaalt het allemaal onberispelijk, in het jargon van Miami Vice. We maken kennis met haar moeder, een zorgelijke vrouw die met het werk in de keuken haar onzekerheden op een afstand houdt. Na afloop geven we Amra een beetje geld, als honorarium voor haar goede diensten. “Wow, I can hardly believe that”, zegt ze.