De Schommel

Onder de bomen langs de gracht staat een schommel die ooit behoorde aan een kinderrijk gezin. Hij staat op de strook die tussen de rijweg en de woonboten ligt: een niemandsland van gras en vlieren, van fietsen, opgeslagen hout en door bruidssluiers overwoekerd oud roest. Toen het gezin verhuisde bleef de schommel staan. Hij aardde er en is sindsdien van iedereen.

Vooral 's zomers komen velen op zijn plankje zitten. Dat kan de tweejarige krullebol zijn die iedere zaterdag in gezelschap van haar vader de eenden komt voeren. Met een stijf ruggetje en angstogen houdt zij een handje om het touw geklemd maar weigert, ondanks zacht aandringen, met het andere pappa los te laten. Soms is het een in angorawol gehuld jongetje dat zich zoetjes door oma laat duwen terwijl opa aan de huizenkant een volgende sigaar opsteekt.

Wanneer haar moeder uit werken is komt buurt-beauty Fatima met een hele schare broertjes en zusjes de schommel bevolken. De vrijplaats ziet zwart van de kinderen. Ze kwetteren Arabisch waar af en toe een onvervalst Nederlands scheldwoord bovenuit klinkt.

Bij uitzondering maken volwassenen gebruik van de schommel: een bouwvakker die op zijn maat moet wachten, verliefden die in de zomernacht tegenover elkaar op het plankje komen staan en ten slotte de late feestgangers die aan het zwaaien merken dat ze toch meer alcohol ophebben dan ze dachten.

Het is zaterdagmorgen. De buurt slaapt uit. De iepebomen druppelen na van een nachtelijke plensbui. Nu er nog geen auto's rijden ruikt het op de gracht een beetje naar tuin. Van dit uur zijn de vogels de baas. Ze maken uitdagend gebruik van de stilte, de duiven op de rijweg en de mussen tussen de bladeren. Ik ben een indringer op hun terrein. De lucht is fris. Een felle zon boort zich door de ochtendkoelte heen tot in mijn huid.

Ik droog het plankje, ga op de schommel zitten en zet mij af. Na een paar minuten zie ik dat aan de huizenkant een bejaarde vrouw is blijven stilstaan. Ze draagt een volle boodschappentas en staart, geheel in gedachten, naar de schommel. Ik spring van het plankje, hang het stil en nodig haar uit plaats te nemen. Ze schrikt op, schudt heftig van nee maar steekt wel de rijweg over naar het niemandsland.

“Vroeger heb ik veel geschommeld”, zegt ze. “In de boomgaard bij mijn grootouders.” Ze zet haar boodschappentas tegen de schommelpaal. “Dan moest je eerst door zulk hoog gras. Het was daar prachtig mooi. Vooral in het voorjaar. Dan bloeiden al die bomen. En in de nazomer gingen wij die appels rapen.” Ze zwijgt. Als ze weer begint te spreken is haar stem lager en eentoniger. “Maar nu ben ik zelf al vierenzeventig. En ik ben niet meer als vroeger.” Ze heft een klaagzang aan: haar handen, botten en spieren zijn sleets. Ze voelt zich verraden, vooral door haar geheugen. Nog eentoniger wordt de stem. Van lieverlee begin ook ik mij oud en moe te voelen en ga weer op het plankje zitten. Ik probeer een manier te bedenken om van de oude af te komen en luister allang niet meer. Pas als haar zwijgen aanhoudt schrik ik. Wat zei ze het laatst? Het klonk als een vraag. Vroeg ze niet iets over schommelen? Wil ze misschien toch? Ik veer van het plankje.

Ze zit als de tweejarige, de rug stijf, de handen om de touwen geklemd en schommelt zo zachtjes dat haar voeten op de grond kunnen blijven staan. Zodra de angst voor vallen vermindert zoeken haar vingers een hogere plaats aan het touw. Ze begint zich met de hakken af te zetten en verbreekt het contact met de grond. Deel voor deel herinnert haar lichaam zich hoe je jezelf vaart moet geven. Haar handen herkrijgen zeggenschap over de touwen, de stijve rug versoepelt. Haar gezicht ontspant zich, de lippen gaan losjes vaneen, de ogen beginnen te glanzen en de blik keert zich naar binnen. Er zit een kind op de schommel. Zelfverzonken wiegt het zich heen en weer. Appelbloesems dwarrelen in haar haren, haar schoot. De wind voert de geur van maaigras mee.

Dan passeert ons een auto. De boomgaard is op slag verdwenen. Huizen en kaden zijn terug op hun plaats. De vrouw remt af. De glans van haar blik vervloeit tot het nat van oude ogen. Als de schommel stilhangt trekt ze zich aan de touwen overeind, slaat giechelend een hand voor de mond en zegt:

“Als mijn buurvrouw mij zo eens zag...”