De mores van een stadsbestuur

Alleen een gulle rijksoverheid kan de gemeente Den Haag nog redden. Na jaren van lokale spierballenpolitiek bleken de uitgaven vorig jaar onbedaarlijk uit de hand gelopen. Niemand van de zittende bestuurders had het zien aankomen. Steeds luider klinkt de vraag: waarom liet de gemeente een specifiek onderzoek naar de eigen feilen na? Schets van een bestuurlijk faillissement.

De tentoonstelling in het Haagse Gemeentemuseum heette "Spiritual in Art'. Aan de schoonheid en de kwaliteit van het evenement heeft voormalig wethouder G. van Otterloo (PvdA) geen herinneringen bewaard - maar een ander aspect van de expositie is hem exact bijgebleven.

Van Otterloo beheerde eind jaren tachtig als wethouder van financiën de gemeentekas. De kosten van "Spiritual in Art' (1988) bleken een miljoen gulden hoger uitgevallen dan eerder overeengekomen. Op een gemeentebegroting van totaal een kleine drie miljard een schamel bedrag, maar Van Otterloo zag het als een zoveelste illustratie van een "structureel fenomeen'. Hij haalde verhaal.

""Ik vroeg de administrateur: hoe kan dat?

Dan moet u bij de zakelijk leider zijn.

Ik vroeg de zakelijk leider: hoe kan dat?

Dan moet u bij de directeur zijn.

Ik vroeg de directeur: hoe kan dat?

Ach, met geld houd ik me niet bezig.''

Zo ging dat, in Den Haag, in de jaren tachtig, stelt Van Otterloo. Terwijl bij de rijksoverheid aan het begin van het vorige decennium een strenge uitgavendiscipline werd geïntroduceerd, overheerste bij de gemeente Den Haag aan het eind van de jaren tachtig nog een cultuur van financiële lichtzinnigheid. Als Van Otterloo er collega-bestuurders of verantwoordelijke ambtenaren op aansprak, stuitte hij op ""afhoudende, ongeïnteresseerde of onzinnige'' reacties.

""De houding van bestuurders en topambtenaren'', zegt hij, ""was er een van: wij doen aan beleid - en wat het kost, dat is bijzaak. Of ze nu directeur van het Gemeentemuseum waren en Rudi Fuchs heetten, of bij een andere functie en een minder bekende naam hoorden: dezelfde vrijblijvende mentaliteit kwam je vrijwel overal in het apparaat tegen.''

Begin vorig jaar werd duidelijk waar die vrijblijvendheid de stad heeft gebracht. De gemeente bleek ruim 260 miljoen gulden meer te hebben uitgegeven dan ze zelf veronderstelde. De begroting was met een kleine tien procent overschreden, en niemand had het ooit geweten. Een schok ging door het lokale bestuurlijke establishment, de maag van menig wethouder draaide om. Raadsleden verwoordden verbijstering.

De ene vergadering na de andere werd aan het thema gewijd. Zeker twintig uur, sommigen zeggen dertig, besteedden de raadsleden aan de zaak. Het ging over stadsvernieuwing, gemeentewerken, bodemsanering, "aangekocht bezit', het "financieringsfonds' - het ging veelal over financiële techniek. En vervolgens werden enige gezamenlijke conclusies geformuleerd. Het had gemankeerd aan een accurate financiële administratie. Het rijk had gedane toezeggingen te gemakkelijk niet gestand gedaan. De bestuurscultuur was onvoldoende degelijk geweest. De raad besloot dat het nooit meer mocht gebeuren.

En onmiddellijk werd de blik op "de toekomst' gericht. Het financiële probleem moest uit de weg worden geruimd, en Den Haag kon dat onmogelijk alleen. De stad startte een breed opgezette lobby voor financiële steun van de rijksoverheid. Een pleitnota telde op tot een gewenste rijksbijdrage van ruim vijfhonderd miljoen gulden. Pas dan kon de gemeente, net als de andere grote steden toch al gekweld door een onvoordelige verdeelsleutel van rijksfondsen, zoniet een moreel failliet, dan toch een bestuurlijk failliet voorkomen.

Laatste strohalm

Een jaar later blijkt het resultaat van de lobby nihil. Kort voor de vakantie mochten burgemeester A. Havermans en wethouder van financiën A. van den Berg nog langskomen bij Lubbers en Kok; op 2 juli, tussen negen en tien, voerden ze op het Torentje een informatief gesprek. Harde toezeggingen bleven uit, een commissie werd gevormd.

Het is een laatste strohalm voor de stad. De grens van verder snijden in eigen vlees, stelt wethouder Van den Berg (VVD), is bereikt nu de gemeente voor de komende twee jaar een kleine honderd miljoen op de eigen uitgaven bezuinigt. Een advies van een sociale advocaat is in Den Haag straks nauwelijks meer te krijgen. Gratis zwemles voor Haagse kinderen is er niet meer bij. Zo zijn er vele voorbeelden. En toch komt de gemeente nog ten minste tweehonderd miljoen te kort. Het rijk móet bijspringen, zegt wethouder Van den Berg, anders stagneert de stadsvernieuwing en dreigt in Den Haag een mate van verpaupering die men in Nederland niet eerder aantrof.

Het uitgebleven succes van de lobby schept een sfeer van chagrijn onder bestuurders en instellingen in de stad. De ter ondersteuning van de lobby geschetste spookbeelden dreigen de werkelijkheid warempel dicht te gaan naderen. En dat brengt de vragen weer tot leven die vorig jaar schielijk onbeantwoord werden gelaten. Hoe kon al dat geld "zomaar' uitgegeven worden? Wie deed dat dan? En was het werkelijk zo dat niemand de later vastgestelde rampen kon bevroeden?

Voormalig gemeentesecretaris J. van Beuzekom, inmiddels met Vut, zat erbij toen vorig jaar in het college van burgemeester en wethouders werd gekozen voor de aanpak van snel vergeten en speculeren op spoedige rijkssteun. Een specifiek onderzoek bleef uit, zegt hij, ""omdat vrijwel iedereen boter op het hoofd had''. De keus was: ""De toekomst van nagenoeg een volledige politieke generatie op het spel zetten of hopen op een bijdrage van het rijk''. Zo lag het voor de hand dat werd gekozen voor de weg van de minste weerstand, ""ook al zou ik een andere weg gegaan zijn''.

Sindsdien werd hij alleen maar in die opvatting gesterkt. Het rijk trekt nooit ""zomaar, even snel'' honderden miljoenen uit voor ""uitgaven die nota bene al zijn gedaan'', en al helemaal niet als het daarmee een reële kans loopt dat zich vervolgens ""enige tientallen gemeenten met eenzelfde verzoek melden''. Uiteraard verwachtte Van Beuzekom vorig jaar al dat het uitblijven van een grondig onderzoek in de stad zou worden uitgelegd als een poging van bestuurders om het eigen stoepje schoon te houden. Maar dat het zo'n ""onvoorstelbaar geschimp'' op het gemeentebestuur zou opleveren, zo'n ""enorme bitterheid'' onder de bevolking zou genereren: dat had hij niet voor mogelijk gehouden. ""Op willekeurige bijeenkomsten in de stad tref ik zeer genuanceerde mensen die nu nog steeds, ruim een jaar na dato, met een onwaarschijnlijke hardnekkigheid koppen eisen. En niet één of twee.''

""Het komt'', zegt CDA-fractievoorzitter M. Santbergen, ""omdat de bevolking het nog steeds niet begrijpt. Men blijft vragen: hoe heeft het kunnen gebeuren?''

Serene rust

De verklaringen zijn wel voorhanden, maar ze vinden hun oorsprong niet zelden enkele decennia geleden. Tot het begin van de jaren zeventig werd de Haagse gemeentepolitiek gekenmerkt door een serene rust. Doorgaans vormde de PvdA samen met CDA en VVD een afspiegelingscollege, dat de stad saai maar stabiel bestuurde. Daarin kwam geen verandering toen zich in 1974 een generatiewisseling in de PvdA voordeed. Twintigers als Adri Duijvestein en Joop ten Velden, vertegenwoordigers van het actiegroepen-socialisme, bezetten hun raadszetel op luidruchtige wijze. In het college mocht de oude bestuurlijke collegialiteit tussen sociaal-democraten, christen-democraten en liberalen in stand blijven, in de raad ontstond een ander klimaat. ""Er groeide een vechtcultuur. In de fractie èn tussen fractie en college'', zegt M. Hardon, een van de PvdA-jongeren die destijds de raad binnenstormden.

De vechtcultuur maskeerde dat de Haagse PvdA diepgaand verdeeld was, een verdeeldheid die een zwaar stempel zou drukken op het bestuurlijke klimaat in de jaren tachtig. Grofweg werden de twee kampen gevormd op grond van maatschappelijke afkomst. Duijvestein en Ten Velden waren "gewone jongens', Hardon en bijvoorbeeld Van Otterloo hadden gestudeerd en zich op voornamelijk intellectuele gronden tot de sociaal-democratie bekeerd.

Het politieke debat kende twee dominante thema's. De stadsvernieuwing (toen al) en de gemeentefinanciën (idem). Waar in de andere grote steden, vooral Rotterdam, door PvdA-wethouders in hoog tempo een nakende verpaupering van oude wijken werd afgewend, daar wilde het in Den Haag maar niet vlotten met de stedelijke vernieuwing. Toen in 1976 de vacature van wethouder stadsontwikkeling vacant werd, was de bezetting van die post in PvdA-kring dan ook een waar strijdpunt. Ten Velden en Hardon stelden zich kandidaat, de fractie was zwaar verdeeld, na een interne stemming haalde Hardon het: negen tegen acht.

De strijd was daarmee nog lang niet beslecht. Geen stap kon wethouder Hardon zetten, of Duijvestein en Ten Velden zaten hem achter de vodden: het was niet goed of het deugde niet. De belangrijkste kritiek op Hardon, een aarzelend bestuurder met een, zo zegt hij ook zelf, matig ontwikkeld politiek gevoel, was dat ook hij er onvoldoende de vaart in had. Het ambtelijk apparaat was te bureaucratisch, meende de jonge wethouder, en hij schrapte de ene na de andere regel. Zo vergde de aanschaf van één huis voor de stadsvernieuwing een half jaar en 35 parafen. ""Daar heb ik een streep door gehaald'', zegt Hardon. Ook hij vond dat het tempo van de stadsvernieuwing niet hoog genoeg kon zijn.

Maar het was onvoldoende, althans in de ogen van de PvdA-specialisten in de raad, Ten Velden en Duijvestein. ""Hun belangrijkste doel'', zegt Hardon, ""was mijn vertrek. De discussie werd door die twee steeds teruggebracht op mij. Ik werd een sta-in-de-weg voor het beleid.'' In 1980 stapte hij op; vermoeid van de kritiek, teleurgesteld in de politieke omgangsvormen. Duijvestein werd zijn opvolger.

Een sterk argument dat Duijvestein en Ten Velden steeds hanteerden om het bestuur tot meer activiteit te manen, was dat Den Haag ""toch geld genoeg'' had. Dat was namelijk waar. Onder het bewind van toenmalig VVD-wethouder Vos, de latere burgemeester van Utrecht, liepen de jaarlijkse overschotten op tot twintig, soms vijftig miljoen gulden. Het brak Den Haag in de jaren zeventig op toen het samen met de drie andere grote steden wegens groeiende uitgaven voor het openbaar verdoer in de slag ging om extra bijdragen van het rijk. Amsterdam, Rotterdam èn Utrecht kregen een financiële tegemoetkoming, Den Haag niet.

Volgens voormalig gemeentesecretaris Van Beuzekom, die in 1976 als directeur financiën bij de gemeente ging werken, kwam hieruit ""het trauma van Den Haag'' voort: ""In de raad hing de sfeer: wij worden gestraft voor onze eigen zuinigheid''. Zo schreef het PvdA-raadslid J. Bakker, ook in 1974 aangetreden en in de jaren tachtig een van de scherpste critici van de matig ontwikkelde financiële mores bij de gemeente, krante-artikelen met als strekking: "Nu hebben we dit jaar verdomme wéér twintig miljoen over'. Het zette Financiën zwaar onder druk. Van Beuzekom: ""Wij dùrfden geen overschot op de rekening meer te presenteren. Dan kregen we grote problemen met de raad.''

Kick

Zo trof Duijvestein bij zijn komst in 1980 een vruchtbaar klimaat aan voor een spierballenpolitiek in de stadsvernieuwing. De gehele raad, van de VVD tot klein links, steunde de "top-prioriteit' die daaraan werd gegeven. Over geld werd niet gerept, Duijvestein had er de wind onder. ""Hij kwam, en het circus draaide binnen de kortste keren'', zegt Van Beuzekom, tot 1983 directeur financiën. ""Het gaf een kick. Na jaren van stagnatie was het ineens: Den Haag, koploper in stadsvernieuwing!''

De daadkracht die onder Duijvestein werd ontwikkeld was soms duizelingwekkend. Ambtenaren werden op produktie gezet, wie verzaakte, vloog eruit. Regels werden niet van toepassing verklaard als de weerbarstige praktijk daartoe aanleiding gaf. Gerenoveerd moest er worden, gebouwd, en aangekocht, want ook voor de latere jaren diende de produktie gegarandeerd te worden. Er viel een wereld te winnen.

Ook in de nog altijd door tweespalt gedomineerde Haagse PvdA kreeg Duijvestein steeds meer handen op elkaar. ""Hij werd God'', zegt oud-raadslid Bakker. Op landelijk niveau was de gedachte dat de samenleving maakbaar was onder druk komen te staan, de Haagse PvdA bewees met de stadsvernieuwing het tegendeel. ""De identiteitscrisis van de sociaal-democratie is in Den Haag jaren uitgesteld'', zegt Bakker. ""Want wij hadden Adri.''

De juist aangetreden premier Lubbers mocht eind 1982 aan het Binnenhof stellen dat ""de economische winter'' was aangebroken, enige kilometers verderop waren bij de gemeente Den Haag alle remmen losgelaten. Toch vertoonde al in datzelfde jaar de begroting van de stad voor het eerst in jaren een tekort. En in 1984, zo blijkt uit een vertrouwelijke notitie van de provincie Zuid-Holland, was de toestand al onrustbarend. Gedeputeerde Noorland, namens de provincie toezichthouder op gemeentelijke begrotingen, sprak in een onderhoud met VVD-wethouder Van den Berg - momenteel opnieuw portefeuillehouder financiën - het "onaanvaardbaar' uit over het feit dat de reserves van de stad "onder nul' waren terechtgekomen. De wethouder meende blijkens de notitie van de provincie evenwel dat er ""op het terrein van de bezuinigingen niets meer te halen valt''.

Van den Berg weet zich het voorval uit 1984 nog te herinneren, acht jaar en vele miljoenenbezuinigingen later. Ze wijst erop dat de stad destijds al een "enorme' inspanning deed door voor vier jaar bezuinigingen van een kleine tweehonderd miljoen af te spreken. ""De ME moest eraan te pas komen om ons tegen de actiegroepen te beschermen.''

De stadsvernieuwing bleef bij die bezuinigingen buiten schot - voor dat onderdeel van het gemeentelijk beleid golden überhaupt aparte financiële wetten. Toen bijvoorbeeld het Meerjarenprogramma Stadsvernieuwing 1984-1988 aan het begin van 1984 door de overige ambtelijke diensten moest worden beoordeeld, bevatte het geen financiële paragraaf. Sommige ambtenaren toonden daarover hun ongerustheid. Zo verbaasde A.J. van Dam, hoofd Economische Zaken van de gemeentesecretarie, zich in een intern schrijven, gedateerd 21 februari, erover dat ""het meest wezenlijke onderdeel van het programma (...) ontbreekt''. Hij was een van de weinigen; de overige ambtelijke diensten waren voornamelijk tevreden: andermaal werd immers de produktie opgevoerd. Voor de raad gold later hetzelfde.

Grijze zone

Hoe het er evenwel in de praktijk van de stadsvernieuwing aan toeging, daarvan was de raad, althans formeel, niet op de hoogte. Er werd ook zelden naar gevraagd. Duijvestein had meerjarenplannen, die het voorgenomen beleid globaal in kaart brachten. En los daarvan waren er de resultaten, die men kon waarnemen in de stad, maar waarover de raad zich zelden in detail - per project - liet informeren. Zo ontstond een ruime grijze zone tussen gewenst beleid en de werkelijkheid, tussen veronderstelde kosten en reële uitgaven.

Tegelijk bleven de ambities groeien. In 1985 lanceerde Duijvestein, door zijn prestaties langzamerhand ook landelijk uitgegroeid tot een fenomeen, de idee dat stadsvernieuwing ook als een "culturele activiteit' moest worden gezien. Dit ter compensatie van de breed levende veronderstelling dat hij slechts werd gedreven door produktie. Had zijn Amsterdamse evenknie Schaefer een kleine tien jaar eerder naam gemaakt met de stelling dat men ""in gelul niet kan wonen'', Duijvestein voegde daaraan toe dat men in alléén eenheidsnieuwbouw evenmin kan wonen.

Ook architectonische kwaliteit moest een rol in de sociale woningbouw gaan spelen. Zo onderging een van de meest uitgewoonde prostitutiehofjes in de binnenstad, de Katerstraat, in een tijdsspanne van vijf jaar een metamorfose. De souteneurs werden in razend tempo uitgekocht. ""Er was zoveel haast dat 25.000 gulden per raam in handen van een pooier kwam'', zegt oud-raadslid Bakker. Architect H. van Beek van het Haagse Atelier PRO kreeg vervolgens de vrije hand, van eenheidsbouw zou geen sprake zijn. Een ""blokachtige bebouwing'' verrees, waarin ""op drie opvallende plekken saillante, halfronde kappen zichtbaar werden'' - de ""mooiste slaapkamers van Den Haag'', stelde de gemeente in een eigen publikatie. Brievenbussen dienden als "straatmeubilair', soms kregen huizen een traditioneel portiek, dan weer werd ten behoeve van ""het ritme van de straat'' een trappehuis buiten de gevel geplaatst.

Na de oplevering sprak Duijvestein - de laatste weken onbereikbaar voor commentaar - van "een sprookje', van "de nieuwe norm voor Den Haag'. Bij de dienst financiën werden in de tweede helft van de jaren tachtig de "onrendabele meerkosten' van de 155 gereedgekomen woningen vastgesteld: 22 miljoen gulden.

Nieuw stadhuis

Op dat moment hadden zich reeds twee belangrijke wijzigingen in het Haagse gemeentebestuur voorgedaan. In 1985 was de CDA'er A. Havermans als burgemeester aangetreden; een jaar eerder schreef hij een proefschrift over de problematiek der gemeentefinanciën. En in 1986 beleefde de stad de komst van een links college. Contrair aan de traditie gingen PvdA, D66 en de kleine linkse partijen Den Haag besturen, gezamenlijk hadden ze een meerderheid van één raadszetel, dus onderlinge eensgezindheid was een vereiste, terwijl de PvdA nog altijd gebukt ging onder een diepgaande verdeeldheid.

Een nieuw thema zou dat in alle hevigheid naar buiten brengen: Duijvesteins "brainwave' om aan het Spui, midden in de stad, een nieuw stadhuis te bouwen. De discussie daarover zou drie jaar lang, tot de val van het college in 1989, de bestuurlijke verhoudingen domineren.

Vanaf het begin was duidelijk dat de belangrijkste representanten van de twee kampen in de PvdA, Duijvestein en Van Otterloo, een verschillende opvatting over het nieuwe stadhuis hadden. Hun gedrag bij debatten over alle andere thema's, ook over de stand van de gemeentefinanciën, werd altijd aan de hand van de stadhuis-controverse verklaard. Wanneer Van Otterloo, wethouder van financiën, wees op onvoldoende onderbouwde uitgaven in de stadsvernieuwing, werd dat, zo zegt hij, ""uitgelegd als een poging Duijvestein te pesten''. De gepolitiseerde verhoudingen vertroebelden het zicht op de feiten; de vechtcultuur in de PvdA-fractie uit de jaren zeventig was uiteindelijk naar het college van B en W overgeslagen.

Ook de twee CDA'ers in dat gezelschap, burgemeester Havermans en secretaris Van Beuzekom, ontkwamen er niet aan. Beiden waren een uitgesproken voorstander van het nieuwe stadhuis, en stonden daarom onder de voortdurende verdenking tot het kamp-Duijvestein te behoren. ""Ook wij zijn niet onbeschadigd uit de stadhuis-discussie gekomen'', zegt Van Beuzekom. ""Want in alle eerlijkheid moet je vaststellen dat de wethouder van financiën de burgemeester en mij niet meer vertrouwde.''

Belachelijk

Het probleem spreidde zich ook uit over het ambtelijk apparaat. Als uit de dienst financiën, door directeur R. Koppenberg of diens plaatsvervanger J. Wortel, gemeld werd dat de toestand van de gemeentekas nieuwe bezuinigingen vergde, werd dat uitgelegd als een politieke stellingname. Koppenberg en Wortel herinneren zich dat ze ""eind '86, begin '87'' de burgemeester en de gemeentesecretaris op bezoek kregen. ""De boodschap van Havermans en Van Beuzekom was'', zegt Koppenberg, ""dat verder bezuinigen niet meer kòn. Dat Financiën dit eindelijk eens moest accepteren. Dat het uit moest zijn met ons eeuwige "gezeur' daarover.'' De ambtenaren versaagden niet, noemden nieuwe kortingen op de begroting onvermijdelijk en stelden voor desnoods gemeentelijke taken af te stoten. Koppenberg: ""Havermans vond het alleen maar belachelijk. En Van Beuzekom kwam erover heen: als bestuurders iets willen, zei hij, moet Financiën daarvoor de ruimte geven, pùnt, uit!'' De burgemeester ontkent dat hij Financiën van "gezeur' betichtte. Hij meende op dat moment, zegt hij, dat Financiën onaanvaardbaar veel wilde bezuinigen, waarbij hij erop wees dat ""financieel beheer meer is dan alleen boekhouden''.

Het voorval deed zich voor toen het college er net een half jaar zat, dus dat beloofde wat. Zo kon het gebeuren, vertelt de voormalig plaatsvervangend directeur financiën, J. Wortel, dat hij problemen kreeg met de gemeentesecretaris omdat hij bezwaar aantekende tegen ongedekte uitgaven in de stadsvernieuwing. ""Ik schreef dan altijd een standaard-briefje aan het college'', zegt Wortel. ""In mijn computer zat een concept, zulke briefjes verstuurde ik vaker. Ze hadden geen enkele zin, want het college ging toch achter Duijvestein staan, maar ik dacht: ik zàl vastleggen dat ik heb gewaarschuwd. Toen werd ik ineens bij Van Beuzekom geroepen: zulke briefjes moest ik niet meer schrijven, dat wilde hij niet langer.'' De voormalig gemeentesecretaris zegt dat het er hem slechts om ging overbodig bureaucratisch gedrag in te dammen. Wortel: ""Het kan best, maar ik ben die briefjes blijven sturen.''

Volgens Van Otterloo, die in de ogen van P. Heijnen, de huidige fractievoorzitter van de Haagse PvdA, ""het meest objectief over het verleden oordeelt'', werden de financiële discussies in het college extra bemoeilijkt door ""de slechte rol'' die de burgemeester speelde. Niet alleen miste hij in de ogen van de voormalige wethouder ""politiek gevoel'' en hield hij ""onvoldoende distantie'', het grootste probleem was volgens Van Otterloo dat Havermans ""geen eenheid kon scheppen''. Zo werd toenmalig directeur financiën Koppenberg tijdens schorsingen van moeizaam bezuinigingsoverleg door de burgemeester gevraagd zijn wethouder tot ""royaler'' gedrag te manen - achter zijn rug om moest Van Otterloo worden bewerkt.

En het kwam voor, zegt Van Otterloo, dat ""aan het eind van zo'n ellenlange vergadering over extra bezuinigingen, als we er bijna uit waren'', de burgemeester ineens ""op hoge poten twee ton extra voor de brandweer eiste''. ""Dan heb je er dus niets van begrepen'', meent Van Otterloo.

Havermans voelt er niet voor ""ook persoonlijk'' te worden. Wel wil hij zijn claim voor de brandweer verantwoorden: ""Die was van groot belang, er waren in de jaren daarvóór onverantwoorde bezuinigingen doorgevoerd. Mijn claim is dan ook gehonoreerd''.

Aangekocht bezit

Dat in de periode van het linkse college grote financiële problemen ontstonden, werd door vrijwel alle insiders gezien. Inzage in enkele archiefstukken levert diverse illustraties op. Zo was er het probleem van het "aangekocht bezit', woningen die voor de stadsvernieuwing door de gemeente werden aangeschaft. In een brief van 11 september 1987 wees L.C. Gerrichhauzen van de dienst Volkshuisvesting er de Projectorganisatie Stadsvernieuwing op dat hier zich ""door een aantal u bekende redenen'' complicaties voordeden. En hij formuleerde: ""Dit bracht in het afgelopen jaar en zal met name de komende jaren voor de afdeling "aangekocht bezit' grote financiële problemen met zich meebrengen''. Het in 1991 vastgestelde tekort bij het "aangekocht bezit' bedroeg 57 miljoen.

Zo was er het eeuwige probleem van de gunstige veronderstellingen die bij de Projectorganisatie Stadsvernieuwing werden gehanteerd. Op 13 oktober 1987 noteerde directeur J. Reijnen van de dienst Stadsontwikkeling-Grondzaken in een schrijven aan de Projectorganisatie Stadsvernieuwing dat de "behoefteraming' voor grondexploitatie in 1988, gesteld op 75,3 miljoen, hem "laag' voorkwam. ""In mijn notitie aan de wethouder ROSV (Ruimtelijke Ordening en Stadsvernieuwing, red.) ben ik (...) uitgekomen op een uitgavenniveau van 125,5 miljoen.'' Het vorig jaar vastgestelde tekort in deze sector bedroeg 25 miljoen.

Aldus is er een serie brieven en waarschuwingen in de gemeentelijke archieven voorradig. De meeste betrokkenen gaven vorig jaar, toen de lijken uit de kast vielen, reeds aan dat ze een "vermoeden' hadden gehad dat er tegenvallers aan kwamen, al toonden ze zich verbaasd over de omvang van de tekorten. Toch waren er ook enkele bestuurders die stelden nooit het minste vermoeden van een uitgavenoverschrijding te hebben gehad. Burgemeester Havermans zegt dat nu nog. Hij kende alleen het probleem bij de dienst Gemeentewerken (tekort 40 miljoen), maar dat was in 1986 "algemeen bekend'. Voor het overige had hij ""geen ènkele aanwijzing dat er uitgavenoverschrijdingen aankwamen''.

""Iedere bestuurder mag van mij zeggen dat hem het probleem onbekend was'', reageert Koppenberg. ""Maar dan neem ik de vrijheid terug te zeggen dat elk lid van het linkse college op de hoogte wàs. Havermans dus ook.'' Wortel is het daarmee eens: ""Het progressieve college, de fractievoorzitters van de collegepartijen èn de ambtelijke top wisten ervan, zij konden er althans van weten. Als mensen dat ontkennen, denk ik dat een cursus communicatie op zijn plaats is.''

Leerzaam

Van Otterloo steunt zijn voormalige ambtenaren. ""Maar het verschil is dat ik verantwoordelijk ben. Want ondanks alle waarschuwingen heb ik uiteindelijk steeds mijn handtekening onder de onverantwoorde uitgaven gezet.'' Het stoort hem echter in hoge mate dat de exacte oorzaken van de overschrijdingen slechts "ritueel' zijn uitgezocht. ""Nu kunnen alle bestuurders over het probleem praten alsof het "alleen maar' van vroeger is.''

Hij wil de juiste posities nog wel even schetsen. ""Tachtig à negentig procent van het probleem is ontstaan door de stadsvernieuwing'', zegt hij. De positie van Havermans daarin was ""dus duidelijk'', die koos ""altijd voor Duijvestein''. Dan is er de huidige wethouder stadsvernieuwing, Noordanus, PvdA-fractievoorzitter tijdens het linkse college: ""Beklaagde zich er voortdurend over dat het college Duijvestein te wèinig ruimte voor de stadsvernieuwing gaf.'' En er is de huidige PvdA-fractievoorzitter, Heijnen, destijds woordvoerder stadsvernieuwing. ""Vond óók altijd dat het tempo in de stadsvernieuwing te laag was.'' Een onderzoek zou derhalve ""uiterst vervelend voor de PvdA'' zijn geweest. ""Maar ook uiterst leerzaam. Dat heeft men helaas niet willen zien.''

Bij de steunaanvraag aan het rijk heeft Van Otterloo ""op afstand gegruwd''. Daarin werd niet op het eigen bestuurlijke falen de nadruk gelegd, neen, als voornaamste reden van de problemen werd gegeven dat de ""financiële administratie'' onvoldoende was geweest. ""Alsof dat iets anders is dan: ik heb niet opgelet.'' Waarbij nog komt dat men suggereert dat de administratie nu op orde is. ""De huidige tekorten zijn gebaseerd op het resultaat van de rekening van 1989. Ga er maar aan staan. Die van 1990 en 1991 moeten nog komen. De kans dat er nieuwe lijken uit de kast vallen is levensgroot. Maar ze zeggen: we hebben schoon schip gemaakt. Dat is erg optimistisch. Het rijk trapt daar dus nooit in.

""En dan komt het hier op neer: dat Den Haag zichzelf heeft opgeknoopt.''