De Duitse historie van Fokkers glorie

Na DAF aan Zweden en Japan te hebben afgestaan en Holland Signaal aan Frankrijk, verliest Nederland met de Duitse overname van Fokker opnieuw een stuk van zijn "industriële erfgoed', zo hoorde men dezer dagen klagen. Toch is het de vraag hoe Hollands Fokkers glorie wel is. Ja, een scepticus zou kunnen volhouden dat Fokker juist zonder Duitsland nooit Fokker was geworden.

Want nadat Anthony Fokker op de Haarlemse HBS was mislukt, verhuisde hij in 1910 op twintigjarige leeftijd naar Duitsland, waar hij leerde vliegen, zijn eerste vliegtuig bouwde en als stuntvlieger aan de kost kwam.

Nederland had in de kalme dagen voor de Eerste Wereldoorlog geen interesse in zijn vliegtuigen, evenmin als Frankrijk en Engeland. Duitsland daarentegen wist zijn twee- en driedekkers - waarin de "Rode Baron' Von Richthofen zijn naam zou vestigen - op de juiste waarde te schatten, zowel vanwege de vliegprestaties, als vanwege de superieure bewapening.

Deze bestond uit de door Fokker gepatenteerde "gesynchroniseerde mitrailleur', die door de draaiende propellor vuurde, maar precies op die momenten dat er zich geen schroefblad voor de loop bevond. De geallieerden moesten hun propellorbladen met metalen dekplaten tegen eigen kogels beschermen. Zo groot was het ontzag voor Fokkers vliegtuigen dat een Britse piloot zichzelf eens omschreef als Fokker-fodder - voer voor Fokkers.

Tussen 1914 en 1919 produceerde Fokkers fabriek nabij Berlijn en later in Schwerin meer dan 7.000 vliegtuigen. Zonder de winst van die onderneming had Fokker zijn talent niet kunnen ontwikkelen. Zonder de door Duitsland gefinancierde Fokkerjachtvliegtuigen was er nooit een Fokker F-VII geweest, die in 1924 de eerste vlucht van Amsterdam naar Batavia maakte; niet de F-VIII "Pelikaan' met gezagvoerder Adriaan Viruly, die het record voor deze vlucht in 1933 beslissend verbeterde; geen F-XX "Zilvermeeuw', de eerste Fokker met intrekbaar landingsgestel; en niet de viermotorige mastodont van het interbellum, de F-XXXVI. In 1930 bestond zestig procent van alle passagiersvliegtuigen ter wereld uit Nederlandse Fokkers, maar zonder Duitsland was de N.V. Nederlandse Vliegtuigenfabriek er nooit geweest.

Duitsland hielp de nationale vliegtuigindustrie na de Eerste Wereldoorlog immers rechtstreeks van de grond - zij het onvrijwillig. Nadat de vredesbepalingen van 1918 Duitsland zijn militaire industrie ontzegd hadden, smokkelde Anthony Fokker een groot deel van zijn inventaris waar onder 400 motoren in een trein van zestig wagons naar Nederland. Het is onbekend of de Nederlandse minister Andriesen van dat ogenblik morele bezwaren had bij de invoer van "Duitse technologie en ervaring'.