Worstelen bij maanlicht; Reisverhalen van Juan Goytisolo

Juan Goytisolo: Gaud in Cappadocië. Reisessays. Vertaling Ton Ceelen. Uitg. Meulenhoff, 128 blz. Prijs ƒ 27,50

De Catalaan Goytisolo (1931) voelt zich aangetrokken tot mannen uit de Arabische landen en Turkije. Ook in ons land heb je mensen die speciaal omgang zoeken met immigranten daarvandaan. In Verscheurde Koninkrijken heeft de schrijver al eens uitgelegd hoe het zat. Eerst had hij zijn affiniteit ontdekt met mannen die met hun handen hun brood verdienen. Toen hij zijn eerste ongeletterde Arabier ontmoette werd hij door zijn wereld gefascineerd. Hij wierp zich op de studie van Arabisch en Turks “uit een vastbesloten wil om toenadering te zoeken tot een fysiek en cultureel lichaamstype waarvan de schittering en gloed me als een vuurtoren leidde”. Hij ging schrijven voor zijn ongeletterde vrienden - namelijk hun brieven naar huis en naar de bureaucratie - en schreef ook over hen. Zo bereikte hij een voor hem ideale combinatie van seks en schrijven, gelijkelijk genietend van zijn lichamelijke onderwerping en intellectuele dominantie.

Dat was in de jaren zestig. Inmiddels heeft Goytisolo veel gereisd en veel gestudeerd, en daarvan zijn ook deze "reisessays' over islamitische landen de neerslag. Hij bereist Cappadocië, waar de grillige rotsformaties en grotwoningen hem als Barcelonees herinneren aan de bouwwerken van Gaud. Hij is getuige van de worstelkampioenschappen bij het Turkse Kirkpinar en ziet de dans van de derwisjen van de soefi-orde van Mawlana Djalal ed-Din Rumi, hij bezoekt de "dodenstad' in Kairo en de heiligengraven in Marokko. Een meer academische exercitie handelt over de stad als palimpsest.

Deze bundel stelt mij een beetje teleur, want wat voor wijsheid levert al die studie op? Dat een weiland vol halfnaakte, met olie ingevette worstelaars een erotische lading heeft ligt voor de hand. Dat de arme drommels in Kairo, die tussen de graven wonen, vanzelfsprekender omgaan met de dood dan wij wekt ook niet echt verbazing. De documentatie is voortreffelijk, de beschrijvingen zijn prachtig, maar het geheel brengt weinig nieuws. Ik mis de spanning van het innerlijk conflict, het autobiografische element dat in eerder werk van Goytisolo zo ruimschoots voorhanden was.

Toch is in sommige stukken de schrijver wel aanwezig. In het Turkse bad en bij het worstelen ziet hij het begeerde "fysieke en culturele lichaamstype' volop in actie. En de derwisjen van Konya, die arbeiders, winkeliers of handwerkslieden zijn, verkiest hij boven de meer academische van Istanbul. Maar het zou flauw zijn de auteur alleen in dergelijke details te willen terugvinden.

Legenden

Een worstelwedstrijd eindigt vrij banaal: er is een winnaar en een verliezer. Ook de talloze wedstrijden bij het traditionele worstelen te Kirkpinar komen zo tot een eind. Voor dat stomme feit is Goytisolo niet blind, maar hij beluistert en herschrijft liever de oude legenden over die kampioenschappen: over dappere strijders die “zo'n hevig verlangen voelden om het gevecht te laten duren, dat zij, als wijnranken verstrengeld en elkaars gelijken in spierkracht en intelligentie, bij het licht van de maan hun energieke, kuise geslachtsgemeenschap voortzetten (...) totdat zij van uitputting stierven.” Het verlangen van de schrijver gaat uit naar het vasthouden van het moment van vereniging. En tegen beter weten in wil hij dat ook waarnemen in de wedstrijden die hij bijwoont: “Soms blijven de woestelingen een tijdlang onbeweeglijk in kronkelige omarming staan”, “hun verbintenis lijkt voor eeuwig te zijn”, “de eenzame finale van twee kampioenen - verweven, verstrengeld, verlangend...”.

De drijfveer tot zijn reizen is mystiek. Ook bij de derwisjen zoekt hij naar het eeuwigdurende moment van eenwording, “de duizelingwekkende inwendige versmelting van kennis en liefde”. Maar ook hier is het niet haalbaar: ditmaal, volgens de auteur, omdat de dans der derwisjen zo halfslachtig is geworden in het moderne Turkije: de eeuwenoude rituele dans is deels ten offer gevallen aan academisme en veranderd in een toeristische attractie.

Het stuk over de communicatie met de geest van Gaud die zou rondwaren in Cappadocië vind ik ronduit mislukt. Dat over de bezoeken aan de heiligengraven in Marokko is zeker niet slecht, maar nogal onpersoonlijk. In het licht van de andere essays kan het wel worden gelezen als een verslag van een helemáál mislukte zoektocht.

Sympathiek, dat zoeken, maar tevergeefs. Dat moment is natuurlijk nóóit te pakken; hij had er niet voor van huis gehoeven. Wat overblijft is toerisme voor gevorderden.