Veerman op de Middellandse Zee

De boulevard van het dorp is breed en heeft een vlak middenstuk. Daar kan ik dus zonder hulp overheen. Dat is heel bijzonder. Meestal kom je in Italië niet ver in een rolstoel. Overal zijn trapjes, treetjes, rotsblokken. Maar hier kan ik wel een paar honderd meter racen zonder hindernissen. Alleen is het daar nu een beetje te heet voor. De palmbomen en oleanders geven op dit uur van de dag bijna geen schaduw.

Bagni Martini heeft een zandstrand. In zee schommelt het vlot. Er duiken stoere jongens af. Ik ga in de schaduw van de blauwe luifel staan en doe mijn ogen dicht. Luchtjes en geluiden. Ik mix ze in mijn hoofd door elkaar. Het ruisen van de zee. Zonnebrandolie. Geklapper van zeildoek in de wind. Koffiegeur. Zee, teer en een stem door de krakende microfoon: Luca Rosa al telefono. Geroosterde vis en oproeppiepjes van de luidspreker van de boot naar het eiland. En dan heel schel de kokosmeneer. Kokoriko, kokoriko! Alé koko, vitamini mille bella! Ik kan hem niet zien. Maar ik weet het wel. Zijn kapotte strohoed. Het koperen fluitje om zijn nek. En de mand vol met kokosschijven in groene palmbladeren. Die mag ik nooit kopen, omdat hij ze beetpakt met dezelfde hand waarmee hij zijn geld telt. Vlug m'n stoel parkeren en dan de zee in!

Maar het duurt nog even voor het zover is. Eerst moet ik een stenen trapje af want de bagni ligt hoger dan het strand. En dan komt het ergste: het stuk over het kokendhete zand naar de stoelen. Het brandt. Daar kun je echt niet met je blote benen over kruipen.

Broetsja hè, zegt de badman met gouden tanden. Hij kan makkelijk lachen, hij hoeft niet te kruipen. Mijn moeder legt de loper voor mij uit. Steeds een badlaken tot we bij onze parasol zijn. Hè, hè, even zitten... Mijn vader zet de tassen en de doos met de boot in het zand. Eerst het water in. En als ik ben afgekoeld dan ga ik hem zelf oppompen. Goed opletten anders vliegt hij straks weg zoals in de Sterreclame.

Ik heb de riemen in mijn boot gelegd en dobber op de baai. Als ik het te warm krijg plons ik met de duikersrol achterover. De zee is hier nog helder. Onder water zien mijn voeten er eng wit uit. Visvoer. Ik hijs mij vlug weer in de boot en schuif voorover op de bodem. Draaien, zitten en dan roeien. Naar het strandje aan de andere kant van de rots. Daar spelen de kinderen die in het huis naast ons wonen. Ze zijn een paar jaar jonger dan ik. Drie mogen er met mij mee terug varen.

Het roeit wel wat zwaarder. Maar ik heb gelukkig sterke armen. Nu moet ik om de rots met de vissers heen. Goed oppassen voor de hengels. Ik neem de bocht heel wijd. Een witte zeilboot vaart ons tegemoet. Ik zwaai naar de schipper. Hij gooit zijn roer om. Veerdiensten hebben voorrang.

Ee, Olandes! roepen de jongens op het vlot. Ze komen elk jaar hier. Net als ik. Maar ik kan nu niet bij ze aanleggen. Domani, roep ik onder het roeien.

We zijn er. Uitstappen allemaal! We keren de boot om en gaan zwemmen. En daarna wat drinken en dan weer zwemmen. Twee meisjes van mijn bagni willen naar het andere strandje. Ik zet ze over. We leggen onderweg nergens aan. Want de buurkinderen wachten op mij. Ik ben binnen een kwartier weer terug. Dan gaan we nog even zwemmen. En snorkelen. En weer zwemmen, drijven, zwemmen. Totdat de zeealpen de helft van de zon hebben bedekt. Het strand is al bijna leeg. Zelfs de kokoriko is naar huis. De parasols worden ingeklapt. Mijn vrienden moeten weer terug. Dan kan ik mooi meteen de twee passagiers van daarnet ophalen. Laatste overtocht voor vandaag.

Het zand is afgekoeld. Ik schuif mijn boot naar de botenberg en maak hem vast aan het touw. Nog 12 dagen! Morgenochtend vaar ik weer uit. Misschien wil de kokoriko ook wel eens kijken op dat andere strandje. Zou hij kunnen zwemmen? Dan mag hij mee in mijn boot met zijn mand. En dan eten we onderweg toch een kokosschijf.