"Soms voel je je een mens en geen diender'

Voor een groot aantal mensen speelt het werk zich op straat af. Pomphouders, bezorgers van kranten, marktlui. Alice Oppenheim vroeg naar hun belevenissen. Vandaag Paul Kerkmeer, van de politie.

Paul Kerkmeer vindt zichzelf een atypisch mannetje met een verrekijker. Hij is negenendertig jaar oud en werkt al zeventien jaar bij de politie. “Dat is een log apparaat waar de burger zijn recht en zijn gelijk denkt te kunnen halen”, zegt hij veelbetekenend. “En dat is natuurlijk onmogelijk. In de praktijk vergeten de burgers wel eens dat een politieman ook een gewoon mens is die met stemmingen leeft. Ik doe dat in extreme mate. Soms heb ik momenten van bezinning, dan luister ik naar de muziek van Carl Philip Emanuel Bach. Soms ben ik heel rusteloos, dan ga ik uit mijn dak van Gary More en lekkere heavy metal of house rampetamp. Het ligt er een beetje aan waar je in de dienst op af moet.

“Het is toch wel vaak heel smerig werk. Een paar weken geleden moest ik een jongetje van een spoorrails afhalen. Nadat de trein eroverheen was gegaan. Hij leefde nog. Zoiets geeft littekens op je ziel die je moet kwijtraken. Vroeger kon ik dat soort zaken goed aan. Tegenwoordig moet ik ervan huilen. Bij de grote brand in hotel Polen in Amsterdam sprongen de mensen zich zo uit de ramen te pletter. Mijn collega's en ik stonden gewoon lijken te rapen. Dat deed me toen wel wat, maar ik zag het toch alleen maar als mijn werk. Het leefde niet echt voor me. Ik was toen een echte macho. Sinds mijn broer vorig jaar zelfmoord pleegde ervaar ik die dingen heel anders. Je beseft wat zoiets allemaal aanricht in gezinnen, bij ouders, broers en zusters, en kinderen. Je kent die schok, dat ongeloof en de pijn. Je wordt er steeds gevoeliger voor.

“Ik zie het in het korps om me heen gebeuren dat jonge kerels van een jaar of veertig het niet meer aankunnen en afhaken. Eerst zijn ze opgelucht, maar daarna gaan ze zich vervelen. Ze waren toch aan een bepaalde kick gewend. Dan gaan ze drinken of hele nare dingen bedenken. Soms denk ik er ook wel eens over om een jaar thuis te blijven, of professionele hulp te zoeken. Maar ik doe het niet, ik heb andere oplossingen gevonden.”

Paul Kerkmeer woont aan de rand van Almere. Zijn vrouw bekijkt hem met de wijze blik van volwassenheid. Ze zet zich vaak vrijwillig in voor gehandicapte kinderen. Hun autistische dochtertje van negen gaat binnenkort naar een gezinsvervangend tehuis. “Hier vlakbij. Op drie steenworpen afstand. Mijn vrouw en ik hebben haar tot nu toe zelf verzorgd. Het is niet meer vol te houden. Onze oudste dochter heeft er te veel onder te lijden. Het is een zware beslissing geweest.”

Als de verantwoordelijkheden die zijn bezigheden hem opleggen zijn draagkracht overschrijden, tikt Kerkmeer thuis aan zijn pet en verdwijnt hij met zijn kijker en hengel naar de polder. “Ik heb daar een visplekje ontdekt. Het ligt achter een metersdikke haag van brandnetels onder een omgevallen boom. Dat is mijn stekkie en dat moet helemaal voor mij alleen blijven. Als ik daar zit dan verdwijnt mijn agressie via mijn hengel en mijn snoertje het water in. Dan is het weg. Dan is mijn rugzakje weer een beetje te dragen. Een man als ik is een potentiële hartkandidaat en dient daarom zijn eigen rust en evenwicht te vinden. Vorige week werd ik bij een burenruzie geroepen. Ik was bezig met wat recherchewerk en ging er dus in burger naar toe. Ik belde aan en kreeg gelijk een flinke poffer op mijn neus. Op zo'n moment voel je je geen diender meer maar een mens en krijg je de neiging terug te slaan. Dat is heel gevaarlijk, want dat mag dus niet. Het is niet iets om trots op te zijn maar ik heb vroeger wel eens een kaak van een burger gebroken, een neus gebroken. Er zijn zo van die momenten dat je je echt bedreigd voelt, vooral als er flink wat gedronken of gesnoven is. Ik had een keer een groepje opgeschoten jongens bij een aanrijding rond de surveillancewagen. Het was in een rumoerige nacht tegen de ochtend. En maar joelen en tergen, en maar treiteren en zuigen. En ik maar niks zeggen. Toen stak er een zijn ene middelvinger omhoog met dat internationale gebaar. Dat deed bij mij een stop doorslaan. Ik greep hem bij zijn strot en verkocht hem een hengst. Tegelijkertijd realiseerde ik me dat ik hartstikke fout zat. We mogen veel bij de politie, maar nog veel meer niet. Voor je het weet sta je op straat, zonder baan. Daar ben je je eigenlijk voortdurend van bewust. Daar ben je zelfs bang voor. Ik heb mijn excuses aangeboden en hem gezegd dat hij een klacht tegen me kon indienen. Ik heb hem ook nog uitgelegd hoe hij dat kon doen. Toen ik thuis kwam voelde ik me er ontzettend lullig over. Ik ben nooit een beste slaper geweest, maar hier kon ik helemaal niet van in slaap komen. Je kunt wel zeggen dat je spijt hebt over je gebrek aan zelfbeheersing, maar in die nacht heb ik geleerd hoe dat voelt. Heel lichamelijk. De volgende ochtend kwam die knaap met zijn vader naar het bureau. Daar heb ik weer uitgelegd hoe het gegaan was en dat ik er de pest over in had dat ik me niet had kunnen beheersen. Die pa had het helemaal niet op de politie, maar hij liet me gaan omdat ik zo eerlijk was. Het politiewerk is balanceren tussen macht en onmacht, tussen bedrog en waarheid. Het leert je dat iedereen zijn eigen waarheid heeft. En dat de feiten lang niet altijd voldoende zijn om achter die waarheid te komen. Het heeft me in de loop van de jaren een filosofische inslag gegeven en leren wikken en wegen.”

Agent Kerkmeer valt niet op in de massa, je ziet hem zo over het gisse hoofd. Hij is op het eerste gezicht niet zo groot en zo breed als de oom-agent van vroeger. Maar zijn gedachtengoed is kundig samengesteld uit talloze ervaringen met het beestje mens. “Ik ben”, zegt hij peinzend, “ook een beetje een darwinist. “Als ik, nadat ik in de polder het gedrag van de bunzingen, de fretten en de reeën heb bestudeerd, aan het werk ga, dan zie ik precies dezelfde behoefte aan een survival of the fittest. De mensen gaan mekaar steeds meer bedreigen en als bedreigend ervaren. Het is soms van een verpletterende simpelheid. Laatst moest ik met mijn jongste dochtertje in een ziekenhuis zijn. Ik reed te hard en werd aangehouden, moest honderdvijftig gulden betalen. Je zult ze bij de politie de kost geven die hun identiteitsbewijs voor dit soort gelegenheden zichtbaar naast hun rijbewijs plaatsen. "Eikel', denk ik dan als ik zelf sta te bekeuren. Nu had ik meer een gevoel van "waar zijn we eigenlijk mee bezig. Laten we eerst al die echte misdadigers maar es aanpakken en er voor zorgen dat ze niet binnen een uur weer in vrijheid worden gesteld'. Dat is wel veel moeilijker werk, maar het is ook veel harder nodig. Als ik dat tegen mijn collega's zeg vinden ze me een softie. Een soort gekke Paultje.”