"Politie Z-Afrika bleek incompetent'

JOHANNESBURG, 24 JULI. Met kwalificaties als “rampzalig ontoereikend” en “ernstig incompetent” heeft een Brits onderzoeksteam een vernietigend oordeel uitgesproken over het optreden van de Zuidafrikaanse politie tijdens en na het bloedbad in het zwarte woonoord Boipatong. Hierbij kwamen op 17 juni meer dan veertig mensen om het leven.

De leider van het team, de Britse criminoloog dr. Peter Waddington van de Universiteit van Reading zegt geen bewijs te hebben gevonden voor medeplichtigheid van de politie aan het bloedbad, noch voor het negeren door de politie van waarschuwingen vooraf. Het Afrikaans Nationaal Congres (ANC) en getuigen van de moord hadden deze beschuldigingen geuit. Maar het rapport biedt zo veel voorbeelden van het falen van het politieonderzoek, dat het de leiding van het korps en de regering ernstig in verlegenheid heeft gebracht.

Het is de eerste keer dat een buitenlandse onderzoeker op verzoek van de autoriteiten een oordeel heeft geveld over het Zuidafrikaanse politiekorps, dat binnenslands als voormalig hardhandig handhaver van de apartheidswetten bij de zwarte bevolking een slechte naam heeft. Waddington werd voor het onderzoek gevraagd door rechter Richard Goldstone, die gevallen van geweld en intimidatie onderzoekt. De regering had onder druk van het ANC en de internationale gemeenschap met een extern onderzoek ingestemd.

De belangrijkste bevindingen van Waddington zijn: een ontoereikende bevelvoering door officieren tijdens het incident en bij het onderzoek nadien, een tekortschietende vergaring van informatie, onduidelijke onderzoeksprocedures en een slechte relatie met de plaatselijke gemeenschap. Waddington trof “een falende leiding op alle niveaus” aan en “incompetentie” van de organisatie.

Hij schetst in zijn rapport hoe in Boipatong alle routineregels van het politiewerk werden overtreden. Doordat er geen waarnemingsdienst was, duurde het lang voordat de politie aanwezig was op de plaats van de misdaad. Er waren te weinig agenten om het gebied af te zetten, zodat geen normaal opsporingswerk kon worden gedaan. Bij het onderzoek in KwaMadala hostel, het arbeiderspension van waaruit vermoedelijk Inkatha-leden de aanval ondernamen, werden alle wapens van de bewoners op een hoop verzameld, zodat later niet was vast te stellen wie welk wapen had gebruikt.

Bij het bezoek van president De Klerk aan het woonoord enkele dagen later deed de politie volgens Waddington niets om de menigte te controleren. Tijdens de onrust na afloop, waarbij drie mensen door politiekogels om het leven kwamen, droeg de politie vuurwapens tegenover een ongewapende menigte. Dat was “een recept voor over-reactie”, meent Waddington.

Zoals altijd bij onderzoeken naar geweld in Zuid-Afrika pikte elke partij er direct het hare uit. Voor het ANC bevestigde het rapport de verantwoordelijkheid van de politie voor het bloedbad, door “verzuim en overschilligheid”. Het ANC riep opnieuw op tot beheer van leger en politie door alle politieke partijen. Het ANC zelf kreeg ook kritiek van de onderzoekers, voor “het orkestreren van een campagne om niet mee te werken met de politie, bedoeld om het onderzoek te frustreren”.

De regering legde in haar reactie vooral de nadruk op het feit dat er geen bewijs is voor medeplichtigheid van de politie. Maar minister Hernus Kriel (wet en orde) beloofde het rapport “zeer serieus” te zullen nemen. Hij heeft de top van de politie opdracht gegeven binnen een week met aanbevelingen te komen om onderzoeksmethoden en organisatie te verbeteren. De regering heeft haast, want nu de Zuidafrikaanse politie probeert een nieuw, geloofwaardig imago voor het post-apartheidstijdperk te creëren, komt het Waddington-rapport zeer ongelegen.