Op een voetbalveld in Karlovac wachten honderden op hun familie; Exodus vluchtelingen uit Bosnië

KARLOVAC, 24 JULI. Almira en Alem staan elkaar omarmend op het voetbalveld en huilen. Hun vijfjarig zoontje Alem, net vandaag jarig, zit op de arm van zijn vader en kijkt zonder begrip voor zich uit: een gezinshereniging na vier maanden.

Niet iedereen onder degenen die hier in de Kroatische stad Karlovac op een transport van 3800, voornamelijk uit het Bosnische stadje Bosanski Novi afkomstige vluchtelingen staan te wachten, is zo gelukkig. Sommigen lopen van de ene naar de andere witgeverfde vrachtwagen van de Verenigde Naties om te zien of te vragen of hun man, zoon, vader of moeder er misschien ook bij is.

De afgelopen vier maanden, de maanden van de oorlog in Bosnië-Herzegovina, waren immers alle telefoon- en andere verbindingen tussen de Kroatische kant van de grens en Bosanski Novi afgesloten. Er was alleen bekend geworden dat de moslim-bevolking van Bosanski Novi hier vandaag Kroatië zou binnenkomen, na moeizame onderhandelingen tussen het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN, de Servische eenheden die de streek tussen Bosanski Novi en Karlovac onder controle houden, samen met de vredestroepen van de VN, en vooral ook de Kroatische autoriteiten, die weinig voelen voor moslim-vluchtelingen op hun grondgebied.

Om 18.52, na uren oponthoud, komt de kop van de treurige stoet in zicht bij de controlepost van de VN aan de grens van de Servische- en de Kroatische sector, middenin een door eerdere vijandelijkheden bijna volledig verwoeste voorstad van Karlovac. Dan komen de witte VN-vrachwagens, waarin de vluchtelingen, buiten ons zicht, zijn overgeladen omdat de Servische buschauffeurs niet tot in Karlovac wilden rijden.

Een paar minuten later hebben op het voetbalveld in het centrum de eerste gezinsherenigingen plaats, temidden van groot tumult. Ambulances rijden af en aan om door emotie of uitputting in zwijm gevallen mensen af te voeren. Sommigen krijgen een zenuwcrisis, als ze merken dat hun lijdensweg van drie maanden, hun spannende tocht door bezet gebied, en naar zich laat aanzien ook hun leven in Bosnië, ten einde is.

Overal staan mensen schokkend te huilen, sommigen alleen, anderen in groepjes. De vrachtwagens, bestuurd door Zweedse beroepsbrandweerlieden die hier als vrijwilliger voor de VN werken, gaan terug om de volgende lading op te halen van het overstappunt met de bussen.

Almira (26) kan over haar belevenissen in de afgelopen maanden betrekkelijk rustig praten. De Servische eenheden hebben de moslims van Bosanski Novi drie maanden geterroriseerd met nachtelijke schietpartijen, arrestaties, moordpartijen en brandstichtingen, tanks en pesterijen, vertelt ze. De moskee is verwoest, net als veel huizen van moslims. “Er was voor ons steeds minder voedsel”, vertelt ze, “je moest in de winkel je identiteitskaart laten zien, en als moslim een hogere prijs betalen.”

Pag 5: Geen vlucht, maar een exodus

De situatie werd steeds bedreigender, vertelt Almira, die voor het weerzien met haar echtgenoot vanochtend zorgvuldig haar nagels heeft gelakt, roze met zilveren korreltjes. Ze draagt haar nette jurk met het snoer van imitatieparels - verder bezit ze weinig want net als alle andere vluchtelingen heeft ze niet meer dan een reistas en wat plastic tassen met het allernodigste kunnen meenemen. De Serviërs stelden als voorwaarde voor een doorlaatpasje dat de moslims in een verklaring afstand deden van hun huis en andere, achtergelaten bezittingen.

Echtgenoot Alem (28) staat er ernstig kijkend naast. Hij was aan het oordeel van Bosanski Novi ontsnapt omdat hij vijftig kilometer verderop, in de Kroatische stad Sisak, een baan heeft en daar ook moet wonen. Voor het eerst in al die maanden merkt hij dat zijn vrouw en kind nog leven. De vreugde wordt getemperd door de snikkende zuster aan zijn zijde, die eveneens in Kroatië werkt en woont, en net gehoord heeft dat haar zoon bij zijn grootmoeder in Bosanski Novi is gebleven. Hij wilde de oude vrouw, die zwoer slechts in haar eigen huis te willen sterven, niet in de steek laten.

De jongere mannen onder de vluchtelingen zijn bang dat de Kroatische autoriteiten hier hen willen oppakken en als soldaten naar Bosnië terugsturen, zoals zij vorige week wilden doen met een groep van ongeveer drieduizend 000 vluchtelingen die per trein in Zagreb aankwam. Sommige mannen verklaren manmoedig terug te willen gaan voor de strijd, maar meer nog lijken argwanend te kijken naar het kordon van Kroatische politieagenten rondom het voetbalveld en vertonen weinig neiging zich hier als vluchteling te laten registreren.

Dat geldt bijvoorbeeld voor de 26-jarige Hassan (naam gewijzigd, red.), die in Bosnië 46 dagen in gevangenkampen heeft doorgebracht, eerst in een kamp met zo'n 5.000 mannen, vrouwen en kinderen in de provinciehoofdstad Prijedor, later in het voetbalstadion van Bosanski Novi waar de mannelijke bevolking van het plaatsje werd vastgehouden die geacht werd in staat te zijn tot eventueel terugvechten.

“Ik ben thuis gearresteerd, toen onze straat door tanks en infanteristen werd uitgekamd”, vertelt Hassan. “Af en toe haalden ze iemand uit zijn huis en schoten hem dood, de rest moest mee.” Even verderop staat een deels herenigde zigeunerfamilie. “Ik kan niet zeggen dat we slecht behandeld zijn”, zegt Sulja (26), die met haar zoontje is gekomen, ook in haar mooiste kleren. Alleen is wel de vader van haar man doodgeschoten, toen hij op een avond naar buiten ging om te plassen. De sfeer was zo bedreigend dat ze op een avond met haar zoon gehoor heeft gegeven aan een oproep uit een megafoon, dat wie weg wilde zich bij het station moest verzamelen. Als enige van degenen die ik spreek, is Sulja ter ore gekomen dat de helft van de hier verzamelde vruchtelingen naar Duitsland mag doorreizen, en ze vraagt hoe je bij die groep kunt komen. “Of zijn dat alleen maar de mensen met geld?”

Naar het Westen wil ook wel Mensur (naam op zijn verzoek veranderd, red.), 37 jaar en intellectueel, die niet wil verraden wat zijn beroep was. “Ik denk dat ik de westerse beschaving verkies boven de patriarchale structuren waarin aan honderden jaren samenleven tussen verschillende culturen een einde kan worden gemaakt. Wat u hier ziet is geen vlucht, maar een exodus. Van weerloze mensen, begrijp dat goed. Bij ons in Bosanski Novi is niet gevochten, er waren onder de moslims geen wapens, wij dachten dat je met praten de spanningen uit de weg zou kunnen ruimen, wij waren wat naïef. Nu rest ons niets meer dan het wanhopig zoeken naar een toekomst, ergens.”

De afwezigheid van wederzijdse vijandelijkheden in Bosanski Novi wordt bevestigd door de functionarissen van het Hoge Commissariaat van de Vluchtelingen (UNHCR), die de tocht van deze ongeveer vijftig kilometer Servische zone in Kroatië hebben georganiseerd, samen met de VN-soldaten van het gebied. Dat is op zichzelf betrekkelijk uniek, want de UNHCR heeft als algemene beleidslijn dat men bij de vlucht van bevolkingsgroepen niet behulpzaam wil zijn, omdat vlucht een ernstig probleem creëert. De moslims van Bosanski Novi waren na maanden van terreur echter zelf al op stap gegaan, met vracht- en personenwagens. Hun streek, West-Bosnië, was echter aan de oostkant door fronten, aan de westkant door de Servische veroveringen in Kroatië ingesloten, en aan alle kanten werd hun de doortocht geweigerd, waarop ze weer naar huis moesten terugkeren. De UNHCR vond, na onderzoek ter plaatse, hun situatie dermate ernstig dat men met succes heeft geprobeerd de doortocht door de Servische zone, de zogenaamde Krajina, te organiseren.

Bosanski Novi ligt aan de rivier de Una, de grens tussen Bosnië en Kroatië, waar nog enig contact met de buitenwereld, in concreto de VN-vredesmacht in Kroatië, mogelijk is. De UNHCR vreest echter dat wegens gewapende strijd en diverse andere blokkades nog vele honderdduizenden mensen, vooral moslims, elke gelegenheid zullen aangrijpen om aan soortgelijke gevaren en systematische terreur te ontkomen. Volgens schattingen zijn er binnen Bosnië nu zo'n 600.000 mensen op de een of andere manier al op drift, maar het is denkbaar dat nog meer mensen de grond te heet onder de voeten wordt. In totaal woonden er voor het begin van de oorlog zo'n twee miljoen moslims in Bosnië-Herzegovina.

Als de tweede golf vracht- en personenwagens in het centrum van Karlovac arriveert, herhalen zich de scènes met geëmotioneerde en in zwijm vallende mensen, de herenigingen en het wanhopig afspeuren van de wagens, al of niet met een papier met een naam in de hand. Een eenheid Kroatische militaire politie probeert vergeefs onduidelijke orde aan te brengen, tot verontwaardiging van de Zweedse chauffeurs.

De bezitters van een personenauto rijden door en worden aan de uitvalsweg wel door de Kroatische politie grondig gecontroleerd, maar vervolgens doorgelaten, op weg van een oud naar een onzeker nieuw leven. “Waarom dit allemaal gebeurt? Omdat ook in Bosanski Novi de meerderheid van de bevolking Serviër is en de stad bij het Servische kanton of de Servische republiek kan worden getrokken”, vat Mensur de situatie samen. “Omdat ik in God geloof, weet ik dat alles mogelijk is. Maar dat mijn buren tot volkerenmoord in staat zouden zijn, dat had ik toch niet gedacht.”