O sport, jij bent de schoonheid; Olympisch eremetaal voor kunstenaars

In Barcelona worden morgen de Olympische Spelen geopend. Tachtig jaar geleden werden er terwille van de eenheid van lichaam en geest kunstwedstrijden aan de Spelen toegevoegd. Zeven keer konden kunstenaars op de Spelen meedingen naar goud, zilver of brons voor een schilderij, een beeld of een gebouw. Had Nederland Olympische kunstenaars? Wat is er van hen en van de bekroonde werken geworden? Een speurtocht naar families en door archieven.

Deze speurtocht begon op een zondagmiddag, tijdens een spelletje Triviant. Wie won in 1920 de zilveren Olympische medaille voor schilderkunst? was de vraag op het kaartje. Er viel een lange stilte, want niemand aan tafel wist dat er ooit zulke medailles hadden bestaan, laat staan wie wat wanneer gewonnen had. Gelukkig stond het antwoord achterop het kaartje - het was de Française Mme. Brossin de Polanska, met haar schilderij De sprong - maar het onderwerp liet me niet los. Wat waren dat voor medailles? Waren er ook Nederlandse laureaten? En zo ja, wat is er van de bekroonde werken geworden?

Eenheid van lichaam en geest: dat was het voorspelbare, maar daarom niet minder nobele streven dat Baron Pierre de Coubertin, de "vader' van de hedendaagse Olympische Spelen, voor ogen stond toen hij in 1906 de "Pentathlon der Muzen' invoerde. Net als de prestaties van sportlieden moesten die van kunstenaars op het gebied van schilderen, beeldhouwen, architectuur, literatuur en muziek worden beloond met goud, zilver en brons. Deelname stond een ieder vrij; de enige voorwaarde was dat het kunstwerk een Olympische tak van sport moest uitbeelden.

Hoewel Coubertin graag de eerste kunstwedstrijden in 1908 had gehouden in Londen, was de voorbereidingstijd te kort en kwam de primeur in 1912 dus toe aan Stockholm. (Daar waren trouwens nog meer nouveautés, zoals de eerste elektrische tijdmeting en camera's voor finishfoto's). Veel hadden de Zweden echter niet op met de kunst: volgens Ruud Paauw, adjunct-hoofdredacteur van het Leids Dagblad en in zijn vrije tijd archivaris van het Nederlands Olympisch Comité, moest Coubertin dit onderdeel min of meer afdwingen door te dreigen dat hij anders weg zou blijven. Tenslotte was hij niet alleen aanwezig, maar sleepte hij ook in de categorie literatuur de gouden medaille in de wacht. In zowel het Frans als het Duits schreef hij onder de pseudoniemen George Hohrod en Martin Eschbach een Ode aan de sport:

O Sport, du bist die Schönheit!

Du formst den Körper zu edler Gestalt,

Hältst fern von ihm zerstörende Leidenschaft

Und stählst ihn durch dauernde Übung.

Toch was het geen doorgestoken kaart, verzekert Paauw: “De jury wist echt niet dat het gedicht van Coubertin was. In hun rapport betreuren de juryleden zelfs, dat de nationaliteiten van de auteurs onbekend zijn.” De zilveren en bronzen medailles voor literatuur werden dat jaar niet toegekend, en van de andere kunstdisciplines werd alleen de architectuur verdienstelijk genoeg geacht: de rest was onder de maat. Uiteindelijk zou het structurele gebrek aan kwaliteit ertoe leiden dat de kunstwedstrijden in 1948 voor het laatst zijn gehouden.

Scherpschutter

Tussen 1912 en 1948 vonden zeven Kunstolympiades plaats. Het Groot Guinness Olympische Spelen Boek (uitg. Luitingh, 1983) weet te melden dat een enkeling zelfs prijzen voor sport èn kunst wist te veroveren. De Amerikaan Walter Winans bijvoorbeeld won in 1908 goud als scherpschutter en in 1912 medailles voor zowel schieten als beeldhouwen. En bijna dertig jaar nadat de Hongaar Alfred Hajos in 1896 zwemkampioen was geworden won hij in 1924 opnieuw een plak, dit keer voor een ontwerp voor een stadion. Van de 147 kunstmedailles die in totaal zijn toegekend, won Duitsland de meeste (23) en Monaco de minste (1). Nederland bracht zes Olympische kunstenaars voort en staat daarmee op de elfde plaats.

Al in 1923 maakte het Nederlands Olympisch Comité, in samenwerking met de kunstenaarsvereniging St. Lucas, propaganda voor het komende kunstconcours in Parijs met een tentoonstelling in het Stedelijk Museum. De pers was kritisch: "Wat hebben we aan al die sport-propaganda in de kunst, in een tijd dat de sport meer gedegenereerd is dan zij als veredelend element wordt aangevoeld? Niet één moment van waar schoonheidsgenieten gaf deze expositie ons.'

Onvermoeibaar ging Jan Feith, journalist en voorzitter van de Nederlandse Kunstcommissie, door met zijn pogingen de animo bij de Nederlandse kunstenaars aan te wakkeren. In een reeks artikelen benadrukte hij niet alleen de kunstzinnige uitdaging, maar deed hij ook een beroep op het sociaal gevoel van de kunstenaar: "Sport is tot een belangrijk onderdeel van het dagelijksch leven voor de massa gegroeid. Waarom zouden hedendaagsche kunstenaars hun aandacht, hun belangstelling, hun liefde niet wijden aan zulk een maatschappelijk verschijnsel?'

Toch kon Feith in zijn verslag achteraf zijn teleurstelling niet verbergen. De opening van de "Concours d'art' in het Grand Palais was niet eens opgeluisterd met een welkomstwoord en, irritanter nog, het Franse ministerie van handel en nijverheid had een eigen, concurrerende tentoonstelling georganiseerd. Weliswaar waren er prominente Nederlanders uitgenodigd voor enkele van de jury's - Willem Mengelberg voor muziek, Jan Wils voor architectuur - en de concerten die Mengelberg een week lang met het Concertgebouworkest gaf bij het begin van de Spelen waren een groot succes, maar op de tentoonstelling was “stellig nog niet het hoogste bereikt wat men als ideaal van Olympische kunst mag stellen”.

Dat 1924 voor de Kunstcommissie geen verloren jaar was, kwam door de bronzen medaille die aan de Amsterdamse schilder Johan van Hell werd toegekend voor zijn tafereel Schaatsenrijders. Jammer alleen dat het NOC hem vergat uit te nodigen bij de feestelijke lunch voor de Olympische prijswinnaars in de Industrieele Club in augustus. Gelukkig had Van Hell in september een tentoonstelling in het Stedelijk en kon hem daar zijn medaille worden overhandigd.

Venters

Johan van Hell (1889-1952), zoon van een diamantbewerker, was behalve schilder ook klarinettist. Hij was een vaste invaller bij het Concertgebouworkest en gaf teken- en muziekles. Hij ontwierp drukwerk voor de AJC, de SDAP en de NVV, maar werd vooral bekend met zijn anekdotische voorstellingen in Nieuw Zakelijke-stijl uit het leven van "de gewone man': straatmuzikanten, marktkooplieden, venters. Hij maakte ook reliëfs, waarvan er een op de binnenplaats van het Sonesta Hotel te zien is, een voorstelling van een gezin die hij oorspronkelijk maakte voor het gebouw van de Arbeiderspers.

Het werk dat Van Hell in '24 in het Stedelijk liet zien, werd in de NRC geprezen als "forse en frissche kunst (...) Zijn kleur geeft vreugde, geeft kracht, geeft troost; zijn kleur verheft.' Het is onbekend of De Schaatsenrijders, dat overigens niet tot zijn boeiendste werk kan worden gerekend, daar bij was. In 1976 is Van Hell herontdekt op een tentoonstelling in Franeker, maar daar hing het schilderij niet. Niemand weet waar het zich nu bevindt.

Zijn neef en erfgenaam Hans van Hell, telefonisch benaderd in zijn woonplaats in het Canadese Quebec: “Na de dood van mijn oom zijn mijn broer en ik naar Nederland gekomen en hebben zo'n 25 schilderijen, veelal beschadigd, onder de dakpannen gevonden. Een aantal heb ik in bruikleen aan musea in Nederland gegeven en de rest heb ik meegenomen naar Canada. Maar een schaatstafereel? Nee, dat zit er niet bij.”

Het jaar 1928, toen de Olympische Spelen in Amsterdam werden gehouden, was ook voor de kunst een hoogtepunt. Het zal geen toeval zijn dat liefst vier Nederlanders kunstmedailles wonnen: architect Jan Wils, medailleur Chris van der Hoef, schilder Isaac Israels en het schrijversechtpaar Carel en Margo Scharten-Antink. Hoewel er op de "Concours et l'Exposition d'Art Olympique' in het Stedelijk werk van bekende kunstenaars hing - de Duitsers Willy Baumeister en Erich Heckel, de Nederlanders Israels, Lizzy Ansingh en Willy Sluiter (die net als diverse andere deelnemers, tegelijkertijd in de jury zat!) - was de kritiek opnieuw niet overtuigd. De Groene Amsterdammer sprak van een "chaotische' expositie met "een overstelpende hoeveelheid middelmatigen arbeid'. Zelfs in de Officiële Feestuitgave ergerde schilder en kunstcommissie-lid Ed. Gerdes zich wild. "Hengelsport dus! vraagt men zich af bij 't Brits zelfportret van een beroemd schermer, waarop deze schuchter een in 't blauw gedoopten kwast omhoog heft in plaats van een floret.' De inzending van de Italianen kon op nog minder sympathie rekenen: “Moet men een ontwerp voor een monument voor Victor Emmanuel III rangschikken onder de rubriek paardensport?”

In 1924, en ook in 1948, zat Jan Wils in de jury voor de architectuurprijs; in 1928 won hij die zelf, met het Olympisch stadion. Het is interessant om te zien dat Wils beoordeeld werd door vakgenoten met zeer uiteenlopende opvattingen: de ingetogen functionalist Duiker en de uitbundige expressionist Kromhout. De oorkonde die hem op 30 juli 1928 werd aangeboden, bevatte een gedicht van Martinus Nijhoff:

Een oorlog had deez' aard, zoo groot zij is gemeten;

Vrede werd aangevat als wereldwerk en plicht,

Arbeid die, uit zijn ernst, vierjaarlijks, zich opricht

Tot een uitdagend feest van ijverende athleten.

Wils komt de eer toe, als eerste het Olympisch vuur een plaats te hebben gegeven, in de zogenaamde Marathontoren ("het asbakje van de KLM-vliegers'). Er deden zich wel wat problemen voor bij de bouw, bij voorbeeld bij de atletiekbaan waar steeds gaten in vielen. In allerijl bracht een groep arbeiders, trainers en atleten een nieuwe bovenlaag aan. En bij de eerste proefronde op de wielerbaan ploften er diverse banden. Het stadion zelf, waarvoor Prins Hendrik in 1927 de eerste steen legde, viel op een of andere manier kleiner uit dan de beoogde 40.000 plaatsen. Om de capaciteit te vergroten is er negen jaar later een extra laag tribunes in beton aan toegevoegd. Het jaar na de spelen werden hier voor het eerst in Europa voetbalwedstrijden gespeeld bij kunstlicht.

De lichtmasten zijn inmiddels weggehaald; de sloop van het stadion lijkt onontkoombaar. Dezer dagen beslist het ministerie van WVC of het gebouw wel of niet de beschermende status van monument verdient. Zo niet, dan blijft in elk geval Jan Wils' gouden medaille over, goed bewaard door zijn familie en nu bij een van zijn kleindochters in Groningen.

De Marathontoren figureert ook op een bronzen gedenkpenning die Chris van der Hoef (1875-1933), een van de getalenteerdste Nederlandse medailleurs, voor de Spelen ontwierp. Het zwaar gestileerde ontwerp van Van der Hoef werd met een zilveren medaille onderscheiden, maar het vaktijdschrift De Muntkoerier meldde in 1980 dat er zeker nog vier vakgenoten voor de Spelen gedenkpenningen maakten. Er ligt nog een exemplaar van die van Van der Hoef in de collectie van het Koninklijk Penningkabinet. Behalve medailles en penningen voor allerhande gedenkwaardige evenementen, zoals de eerste passagiersvlucht van Nederland naar Nederlandsch-Indië in 1927, ontwierp Van der Hoef ook prozaïsche voorwerpen als het rijwielbelastingplaatje uit 1925.

Grootvader

Behalve Wils won nog een Nederlander een gouden plak dat jaar: de post-impressionist Isaac Israels (1865-1934) met Ruiter in rode rok, een van de drie schilderijen die hij had ingezonden. Hij schilderde in die tijd wel meer ruiter- en jachttaferelen; deze drie zijn volgens Israels-expert Anna Wagner tot stand gekomen op het voorplein van Slot Zeist. Waar is het winnende schilderij nu? Op het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag blijkt conservator jhr. drs. W.F. Rappard van de afdeling negentiende-eeuwse kunst er een meer dan professionele belangstelling voor te hebben: “Ik zoek het al jaren. Het is namelijk mijn grootvader die erop staat afgebeeld, ir. J.P. Leeuwenburg.”

Samen met zijn vriend de schilder Jan Bakker kwam Israels wel eens logeren bij Leeuwenburg op diens buiten in Baarn. Mevrouw Leeuwenburg maakte gehaktballetjes voor ze die ze meenamen als ze in de omgeving en plein air gingen schilderen. “Mijn grootvader gaf opdracht voor dit portret, maar toen het af was, heeft hij het geweigerd,” vertelt Rappard. “Hij kon zelf tamelijk goed tekenen en hij vond het paard, Tristan, niet goed lijken. Het doek moest toen vijfduizend gulden kosten en dat vond hij het niet waard. Met die moderne schildertechnieken had hij niet zo veel op en mijn oma vond het niet passen bij de antieke inrichting.”

De weigering betekende het eind van de vriendschap, maar Israels heeft er toch zijn medaille mee gewonnen. Uit Venetië schreef hij in een brief aan ene dr. A.E. Visser: "Die Olympische prijs van mij was wel leuk, vooral omdat je samen bekroond wordt met de beste zwemmers, springers, hardlopers, enz. Dat geeft iets jeugdigs...' (Israels was toen 63). Het schilderij van 80 bij 75 centimeter heeft hij hoogstwaarschijnlijk in 1934 verkocht via de Haagse kunsthandel Huinck en Scherjon. Sindsdien is het spoorloos.

In de categorie "epische werken' won het in Florence wonende echtpaar Scharten-Antink brons met fragmenten uit het eerste deel van de trilogie De nar in de Maremmen. Zelf gaven ze de passages aan, ronkende beschrijvingen van het brandmerken van vee, die als "sport' konden worden aangemerkt. De Nederlandse juryleden waren J.A. Alberdingk Thijm, P.C. Boutens en Johan de Meester. In het Letterkundig Museum liggen twee brieven van het NOC aan de Schartens. De eerste is het bericht over de bekroning ("in het Olympisch Stadion te Amsterdam, onder het hijschen van de vlag van Uw land'). Uit de tweede, een begeleidende brief die met hun diploma en herinneringsmedaille werd meegestuurd, valt op te maken dat ze het evenement niet van voldoende importantie vonden om uit Italië over te komen. “In hun correspondentie maken ze nauwelijks melding van die medaille,” zegt neerlandica Stance Eenhuis, medewerker van het Letterkundig Museum en in 1988 afgestudeerd op De nar in de Maremmen. Juist deze trilogie, over het leven van de schilder Renato Focardi, blijkt een keerpunt in de loopbaan van Carel Scharten (1878-1950) en de lerares Frans, zijn latere echtgenote Margo Antink (1869-1957).

Na jaren zwerven door Zuid-Europa - Scharten leed aan astma - vestigde het echtpaar zich in Florence. Eenhuis: “Hun grote succes was Het leven van Francesco Campana, een trilogie over het Italiaanse landleven. Hun boeken waren in Nederland zeer populair en werden in grote oplagen gedrukt, maar vanaf de Nar raakten ze steeds meer gefascineerd door het fascisme. Dat viel niet goed bij het Nederlandse publiek, dat van hen lekkere leesverhalen verwachtte.” In de inleiding tot het tweede deel verklaren zij: "De kernbeginselen van het fascisme waren de onze, lang voor er van fascisme sprake kwam.' Het toppunt van hun bewieroking van Mussolini, die zij persoonlijk kenden, was het boek Littoria, over de drooglegging van de moerassen bij Rome en de bouw van een nieuwe stad. “Mussolini beloofde hun boeken in het Italiaans te laten vertalen, maar daarvan is niets terecht gekomen,” zegt Eenhuis. “Sterker nog: in 1940 bleken ze op de Italiaanse index te staan omdat ze niet fascistisch genoeg zouden zijn. Wel werden in 1935 drie van hun boeken in het Duits vertaald.”

Romantisch

Tot slot de Spelen van 1932 in Los Angeles, de laatste kunstwedstrijd waarbij een Nederlander in de prijzen viel. Dat was Gerhard Westermann (1880-1971), die brons won met een tekening van een man te paard. Het Stedelijk bezit een krijttekening van hem getiteld Man te paard uit 1926 en door mevrouw Roland Holst in 1939 geschonken, maar het is moeilijk na te gaan of dit de winnende tekening is, Westermann bleef zijn lange leven dit onderwerp trouw.

Westermann, 28 jaar lang leraar aan de Rijksacademie in Amsterdam, koesterde een romantische hang naar het middeleeuwse en het historische, onderwerpen van een "droomgrage geslotenheid' als paarden, ruiters en volksfeesten. Met gevoel voor understatement schreef Elsevier in 1951: "Westermanns visie op de dingen die hij schildert heeft na het begin dezer eeuw nauwelijks ingrijpende veranderingen ondergaan, en ook zijn techniek is niet beroerd door de picturale revolutie der laatste vijftig jaar.'

Had de jury zelf ook zo'n sterk traditionele inslag? Aan een tekort aan inzendingen kan het niet hebben gelegen. In het Los Angeles Museum of History, Science and Art werden er volgens het Official Report van de British Olympic Association 1145 kunstvoorwerpen geëxposeerd, waarvan 291 in de categorie tekeningen, affiches en prenten - en per dag kwamen er 20.000 mensen naar kijken.

Hoezeer de organisatoren in de verschillende landen ook hun best deden, de verhouding tussen kunst en sport is, ook op Olympisch niveau, altijd moeizaam gebleven. Al in 1928 gaf het NOC in zijn "Officieele Feestuitgave' toe, dat de beperking in het onderwerpkeuze een nadeel was: “Het stellen van den eisch van het sport-onderwerp beteekende voor dit moment een verarming.” De laatste kunstwedstrijd, in 1948, was voor Nederland een dieptepunt. Voor literatuur was er welgeteld één inzending, een kinderkerstverhaaltje dat de jury weigerde te beoordelen. Jurylid voor architectuur Jan Wils was ook "onaangenaam getroffen', schrijft hij in een brief aan een vriend: "Het deed zeer pijnlijk aan de inzendingen uit ons land onder de laagst geklassificeerden te moeten rangschikken.'

Niet alleen de inzendingen uit Nederland bleven beneden de maat. De kwaliteit van de Olympische kunst was al zo vaak tegengevallen dat de onderscheidingen vaak niet eens werden toegekend. In 1949 besloot het Internationaal Olympisch Comité, de organisatorische en financiële problemen beu, de kunstwedstrijden stop te zetten. Sinds 1956 wordt er wel altijd een kunsttentoonstelling bij de Spelen gehouden, maar de tijden van Coubertins "Pentathlon der Muzen' zijn voorbij.

Met dank aan de Nationale Sportbibliotheek, het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, het Letterkundig Museum en het Koninklijk Penningkabinet.