Nikolsky's pianospel mist te vaak de nuance

Concert: Andrei Nikolsky, piano. Programma: Liszt. Sonate in b; Skrjabin, Vijfde sonate; Rachmaninov, Vier Préludes; Prokofjev, Zevende sonate. Gehoord: donderdagavond in Grote Zaal Concertgebouw Amsterdam.

Het optreden van de Russische pianist Nikolsky, die als vervanger van de geblesseerde Alexei Sultanov optrad, viel mij gisteravond een beetje tegen. Het kan zijn dat hij te weinig voorbereidingstijd had om zich voldoende op de innerlijke muzikale waarden van een belangrijk deel van zijn programma te bezinnen. Wat de oorzaak ook moge wezen, feit blijft dat Nikolsky zich voor de pauze voornamelijk toelegde op een routinematig overdonderen met virtuoze hoogstandjes. En waar deze musicus in armen en handen over een soortgelijke fysieke kracht beschikt als waarmee een bepaald type zwaargewicht bokser in de eerste ronde met één uppercut zijn tegenstander knock out pleegt te slaan, bleek nu voor hem de verleiding te groot om met daverende fortissimi, veelal ingebed in zwaar pedaalgeronk, voortdurend de barrière tussen muziek en geluid te doorbreken.

In de sonates van Liszt en Skrjabin liet Nikolsky slechts af en toe een piano- of pianissimopassage horen van uiterst suggestief poëtisch gehalte en dan werd duidelijk dat hij meer was dan een pianistisch geschoolde slagwerker. Pas na de pauze kwam bij de weergave van Rachmaninovs preludes Nikolsky's ware muzikale aard aan bod. Met een kernachtig, genuanceerd cantabel toucher gaf hij op schitterende wijze gestalte aan Rachmaninovs gloedvolle passie en onopgesmukte tederheid. De felle motoriek, de hektische ostinate ritmen en de grillige ironiserende contrastwerking van Prokofjevs Zevende Sonate bracht Nikolsky, zoals het hoort, met speels, virtuoos éclat over het voetlicht. Eenzelfde losse speelsheid was ook kenmerkend voor zijn overrompelende weergave aan het slot, bij wijze van toegift, van Liszts La Campanella.