Lusteloos vrijende tieners; Robert Vernooy over de braafste maatschappij aller tijden

Robert Vernooy: De tedere tirannie. Uitg. Contact, 164 blz. Prijs ƒ 34,90

Misverstand en onbegrip spelen een grote rol in het werk van Robert Vernooy. De mensen praten langs elkaar heen en begrijpen elkaars bedoelingen niet. Vooral de goede bedoelingen worden gewantrouwd omdat ze vaak een zachte dekmantel zijn voor het uitoefenen van harde macht. In het voortreffelijke verhaal "Buitenspel' uit de bundel Doodstop van 1985 leidde het onbegrip tussen ouders en kinderen tot een tragedie die niet beschreven werd maar onafwendbaar leek. In De dingen die er niet toe doen, Vernooys roman uit 1989, was het eerder onwetendheid dan onbegrip of misverstand waardoor een vader met zijn dochter naar bed ging, maar die onwetendheid was toch ook te herleiden op gebrek aan begrip tussen de vader en de moeder. In die roman zorgde Vernooy voor een verrassing door het dramatische van de situatie weg te wuiven: onwetendheid spreekt de schuldige vrij.

In de nieuwe roman blijven dergelijke verrassingen uit, maar aan onbegrip en misverstand is er geen gebrek. De kinderen zien de zorgen en de bezorgdheid van hun ouders als bemoeizucht, de ouders weten niet hoe ze de kinderen duidelijk moeten maken dat het dat niet is. Het is geen gloednieuw onderwerp en Vernooy heeft het wat meer perspectief willen geven door de ouderlijke bemoeizucht te koppelen aan die van de staat.

Jessica en Jasper, een jaar of zeventien, achttien, voelen zich doodgeknuffeld door de zorgen van de ouders, zoals de burgers van de staat zich verstikt voelen door de sociale bemoedering die een knusheid heeft geschapen waarin echte rebellie onmogelijk is geworden. In die "braafste maatschappij aller tijden', zoals Vernooy het noemt, gaat Jessica lijden aan anorexie en begint ze zich steeds meer af te sluiten. Voordat Jasper Jessica ontmoet, heeft hij alleen contact met de buitenwereld als gitarist in een zielig bandje dat een buitengewoon onsamenhangend lawaai maakt, rioolrock geheten. Hij gaat wel eens met Jessica op stap om wat te stelen en soms vrijen ze op lusteloze en onbevredigende wijze in een vergeten bunker. Het gebrek aan communicatie in gezin en maatschappij prikkelt Vernooy tot een hoogpolig gekanker waarin de lezer zich prettig kan laten wegzakken maar dat geen nieuwe inzichten biedt. Dat echter in de beste bedoelingen tedere of zelfs hardhandige tirannie kan schuilen, is ten slotte niet een conclusie van vandaag of gisteren. Ook wordt de verbinding tussen overdreven staatszorg en ouderzorg nooit helemaal overtuigend verklaard. De rebellie van kinderen tegen de drukkende belangstelling van hun ouders, die in dit boek als plichtmatig ervaren wordt en niet als een bewijs van echte liefde, is al heel wat ouder dan de zorgzaamheid waarmee de maatschappij de burgers omringt, of zoals Vernooy waarschijnlijk zou zeggen, omheint.

Wat er dan overblijft is een verhaal over twee landerige, moeilijke tieners die zich kapot vervelen en die op het eind van het boek voor een flink drama zorgen. Het aardigste aspect van het boek is de persiflage op de bedilzucht van de maatschappij. Vernooy maakt gebruik van mooie parodistische trekjes die in de stijl vooral tot uiting komen in alliteratie en assonantie: “De melange van mos en molm, gegarneerd met een zweem van zwammen” en “een tochtige oeros in de bossen van Sourcy”. Bovendien heeft Vernooy een scherp gehoor voor verschrikkelijke dialogen als: “Een portje?” “Nee, ik ben meer een sherrymens.” Ondanks het sombere onderwerp is het boek zowel amusant en luchtig als licht van gewicht.