Lof op bestelling; Een nieuwe Pindarus-vertaling

Pindarus: Oden. Oidai. Gekozen, vertaald en toegelicht door S.L. Radt. Uitg. Styx Publications, 65 blz. Prijs ƒ 29,50.

Als een Nederlander bij de Olympische Spelen in Barcelona het pentatlon wint, vrees ik dat maar weinig wethouders ervoor zullen voelen de atleet bij zijn triomfante terugkeer in zijn geboortestad te onthalen op een door Lucebert gedicht en getoonzet huldedicht. Toch is dat ongeveer wat er gebeurde toen Pindarus 2500 jaar terug zijn zegezangen schreef.

Intussen is er veel veranderd. De Olympische Spelen met hun gewijd karakter zijn een sportspektakel geworden. Atletiek is geen aristocratische bezigheid meer. Poëzie heeft haar sacraliteit en prestige prijsgegeven, duisterheid ontlokt geen ontzag meer.

Pindarus, "de Thebaanse zwaan', is omstreeks 520 geboren in Beotië. Al kozen zijn spreekwoordelijk domme landgenoten dan de verkeerde zijde in de Perzische oorlogen, toch ging de jonge aristocraat literaire lessen volgen in de hoofdstad van het Griekse verzet, Athene. Een van zijn leermeesters was Lasus van Hermione, een dichter met een zo fijngevoelig oor dat hij woorden met de letter s uit zijn vocabulaire probeerde te schrappen. Daarom wellicht schreef Pindarus ook een Ode minus sigma. Al op zijn vijfentwintigste behaalde hij een overwinning in een dichtwedstrijd. Hij werd de populairste lofdichter van zijn tijd. Koningen, tirannen en priesters nodigden hem uit, alle steden van Hellas lieten hun kampioenen door hem bezingen. Voor een enkele dithyrambe op hun stad gaven de Atheners hem een cadeau ter waarde van tienduizend drachmen (één drachme was een normaal dagloon).

De oudheid beschouwde Pindarus als de grootste van de negen lyrici. Lyrisch is zijn werk alleen in etymologische zin: het bestond uit met de lier begeleide liederen, hymnen, dithyramben, lof- en treurzangen, processieliederen en tafeldeuntjes, kortom gelegenheidspoëzie. Behalve fragmenten bleven 45 zegezangen over: een soort van feestcantates om de overwinnaars in de Olympische, Pythische, Isthmische en Nemeïsche spelen te huldigen.

De inhoud van zo'n ode was voorgeprogrammeerd. Zij begon vaak met de aanroeping van de patronerende god, de Muzen of de vaderstad van de overwinnaar, vermeldde de kampioen, zijn familie, zijn sporttak en eventuele vroegere overwinningen, schakelde dan met een vreemde wending over op een mythisch verhaal in verband met het onderwerp en waarschuwde in moraliserende uitspraken voor overmoed. De wedstrijd zelf werd slechts in een paar woorden opgeroepen: sportverslaggeving lag de dichter niet, wel het universaliseren van een eenmalig gebeuren. Vaak legde Pindarus er de nadruk op dat alleen zijn poëzie de winnaar eeuwige roem kon bezorgen: prestaties worden vergeten, monumenten vergaan, maar het lied blijft eeuwig bestaan. Hölderlin, bewonderaar en vertaler van Pindarus, heeft hem dat nagedicht: “Was bleibet aber, stiften die Dichter.”

Maniërisme

Bestelde lof, dat zijn deze oden. En toch slaagt Pindarus er met zijn ongebreidelde fantasie in van elk zegelied weer iets heel anders te maken. De aanvang is vaak heel indrukwekkend: “het beste is het water”, “Hymnen, koningen van de lier”, “Gouden lier, gemeenschappelijk bezit van Apollo en de vioolgelokte Muzen.” Wat ook vandaag nog direct aanspreekt, zijn de uitspraken over het menselijk bestaan: “De mens is een droom van schaduw”, “Mijn ziel, zoek niet naar onsterfelijkheid, maar put het mogelijke uit”, “Ik zal klein zijn met het kleine, groot met het grote.”

De dichter stelt hoge eisen aan de aandacht, de kennis en de verbeelding van zijn toehoorders. Hij is er zichzelf trouwens van bewust dat hij in feite slechts voor een kleine kring van liefhebbers spreekt: ook op dat gebied blijft hij een aristocraat. Het grootste probleem vormt de samenhang van het geheel. Boileau noemde het effect dat de oden op ons maken er een van "beau désordre' (fraaie wanorde). Dat is niet, zoals wel is gedacht, het gevolg van een dichten in wilde roes, maar wel van een berekend vakmanschap dat wil boeien, verrassen en onthutsen.

Pindarus is de eerste maniërist. Geen enkele Griekse dichter heeft een zo machtige woordenschat, een zo ingewikkelde syntaxis en een zo wonderlijke verbeelding. Al is koorlyriek normaal Beotisch gekleurd, toch kiest hij termen uit de hele poëtische traditie. Het banale vermijdt hij door omschrijvingen: zo noemt hij de wolken voor de zon “gouden haren van de lucht.” Typisch voor zijn stijl is het vermengen van beeldspraak: “uw pijlen bedwelmen de geest van de goden” zegt hij over de invloed van tegelijk treffende en kalmerende muziek. Zoekt men een equivalent voor zijn kunst in modernere tijden, dan komt men terecht bij de Engelse metaphysical poets uit het begin van de 17de eeuw, die dezelfde eigenaardige mengeling van diepe religiositeit en verbluffende conceits vertonen.

Het van muziek en choreografie beroofde werk werd een studieobject voor filologen, van Byzantium tot nu. Echte lezers heeft het maar weinig gehad. Pindarus is "a poets' poet': Horatius bewonderde hem, maar noemde hem onnavolgbaar; Ronsard "pindariseerde' zonder hem echt te kennen; Klopstock, Goethe en Hölderlin schiepen naar zijn voorbeeld het vrije vers (dat Pindarus zelf met zijn complexe metriek veracht zou hebben). Maar hij had ook zijn tegenstanders: Voltaire die zei dat hij veel woorden nodig had om niets te zeggen en Pound die hem de kampioen-blaaskaak van alle tijden noemde.

Populair zal Pindarus bij ons wel nooit worden. Ik vrees dat deze tweetalige editie van vijf oden en enkele fragmenten daaraan weinig zal veranderen. In zijn inleiding wijst S.L. Radt erop dat er in Nederland geen enkele volledige vertaling van zijn gedichten bestaat. Het is wat verwonderlijk dat hij in dit boekje noch de vertaling van de Pythische Oden door de Vlaamse dichter Jos de Haes (1952) vermeldt noch die van tien Oden door B.A. van Groningen (1976).

In zijn inleiding schrijft hij: “De vertaling probeert zo letterlijk mogelijk te zijn (op gevaar af de indruk te wekken dat hier "de ene gek de andere heeft vertaald').”

Dat doet het ergste vermoeden, maar gelukkig valt het met die letterlijkheid nogal mee (Hölderlin hield in zijn omdichting zelfs aan de Griekse woordvolgorde vast). Radts versie is in een klassiek idioom gesteld, dat weliswaar onnederlandse composita als "paardenbefaamde', "zeeomringde' en "bronsomgorde' niet schuwt, maar overigens sober omspringt met archaïsmen en poëtismen. Een enkele grappige uitglijder als "diepgeplooide Muzen' daargelaten is dit een leesbare vertaling. Zoals we van een emeritus hoogleraar Griekse taal- en letterkunde mogen verwachten is het tekstbegrip behoorlijk (al zou ik "sundikon' in de eerste Pythische ode niet vertalen als "rechtmatig', maar als "gemeenschappelijk'). De toelichtingen verduidelijken de samenhang en de allusies. De inleiding vind ik wat dun en ik mis ook een bibliografie.

Jammer genoeg zal de Grieks onkundige lezer in deze vertaling weinig gewaarworden van de kracht en de weelde van hem die Voltaire ironisch beschreef als “de sublieme zanger van Griekse koetsiers en van vechtpartijen met de vuist.” Daarvoor zou een vertaler nodig zijn die is wat Pindarus was: een poëet pur sang.