Krentenbollen

Het "nationaal geschenk aan de zee' van de Stichting Cargo wil nog niet goed van de grond komen, las ik in de krant.

De berichtgeving is verhuisd van de kunstpagina naar de rubriek gemengd nieuws. Minister Maij van Verkeer en Waterstaat, zich beroepend op de Wet Verontreiniging Zeewater, heeft zonder in conflict te komen met haar collega van Cultuur, het brood gooien verboden. Haar departement heeft berekend dat 50.000 broden in zee gelijk staat aan 50.000 "inwoner-equivalenten' en daarvan heeft de Stichting Cargo weer "de uitwerpselen van 50.000 mensen' gemaakt. Zo is de discussie over deze onderneming aangeland op het elementairste niveau en daarmee, zou je zeggen, kan de Stichting Cargo die als vereniging van kunstenaars tot de kern van de waarheid wil doordringen, zichzelf gelukwensen. Maar Cargo zou Cargo niet zijn als hij niet bleef doorjengelen. Mevrouw Maij heeft zich schuldig gemaakt aan een "stuitende ontkenning' van de "spirituele lading' die in dit project verborgen zit. De Stichting gaat in beroep bij de Raad van State waar ze "wijze mannen' veronderstelt. “Als de Raad zich vergist en Nederland te klein blijkt te zijn voor dit project”, wordt het brood in de Atlantische Oceaan afgezonken. Nog dreigen ook. Van het nationale blijft er op zo'n manier niets over.

Het eerste waardoor Cargo zich laat kennen, nog eerder dan door zijn oorspronkelijkheid, is de deftige taal waarin de Stichting zich uitdrukt. Wijze mannen, stuitend, spirituele lading, het lijkt wel of je een toespraak van een minister-president uit de jaren vijftig leest. Het "nationaal geschenk' van Cargo wordt door dit gesputter nog duidelijker tot wat het altijd is geweest: flauwekul met een nationale signatuur. Een paar maanden geleden heb ik er een stukje over geschreven waarin ik de grootregisseur van het Nederlandse evenement, onze Cecil B. DeMille, Carel Briels als voorloper van Cargo heb genoemd. Briels deed niets onder de tienduizend, en toch was hij op zijn manier een bescheiden man: hij heeft, voorzover ik me kan herinneren, zijn projecten nooit een 'spirituele lading' toegeschreven. Het ging hem en zijn opdrachtgevers er louter om dat er veel mensen kwamen opdagen.

Ernstig bekeken zou je nog tot de conclusie kunnen komen dat het "nationaal geschenk aan de zee' een uit de hand gelopen symbiose is: de erfenis van Briels met een stukje conceptual art. Maar dan had Cargo zich met minder tegenstand een groter spirituele lading kunnen verwerven. Het bad vol laten lopen, een paar krentenbollen erin, tien videocamera's erbij en het resultaat daarvan op supergrootbeeld vertoond in het Olympisch Stadion, dit gecombineerd met een reddingsactie voor "de schepping van Wils' (zoals het Stadion naar zijn architect wordt genoemd), en tenslotte desnoods de krentenbollen nog symbolisch aan de eendjes van de Nieuwe Meer gevoerd door een Volendams Kaasmeisje, en dit allemaal terwijl nonstop het Wilhelmus zou klinken. Waarom niet?

Terloops geeft de Stichting Cargo zelf het antwoord. Aan de Afsluitdijk bij Breezanddijk is een openluchtbakkerij gebouwd, gesticht, opgericht. Daar zijn volgens de perschef van Cargo inmiddels duizenden bezoekers uit binnen- en buitenland geweest, en hun reacties waren "zeer positief.' Dat verbaast me niets. Duizenden vind ik eigenlijk niet veel.

In deze postmoderne tijd lijden de meeste mensen aan één slepende kwaal waarvan ze iedere dag genezing moeten zoeken. Dat is de verveling. Mooi, groot, klein, lelijk, virtuoos, het toppunt van gesukkel, misère of geluk, volkomen onzin of wereldwonder, het hindert niet zolang het een ogenblik verlossing biedt. Als er op maandag een bekende Nederlander wordt ontvoerd, als er een vliegtuig neerstort, een windhoos een dorp wegzuigt, staan in de buurt van de plaats waar het evenement zich heeft voltrokken zaterdag files die pas tegen zondagavond weer verdwijnen. Daarvoor bestaat al jaren een woord hoewel het nog niet in de Van Dale is opgenomen. Het is een van de meest nationale neologismen van deze publieke eeuw: rampentoerisme.

Ik wil niet zeggen dat het "nationaal geschenk aan de zee' een ramp is. Op het gebied van de nationale flauwekul had het een bijdrage kunnen zijn in de strijd tegen de verveling, maar op een of andere manier is het dat niet geworden. Zelfs het ministerieel verbod zet geen zoden aan de dijk. Aan dit nationaal geschenk ontbreekt iets wezenlijks, het mysterieuze groeiserum, het elixer dat je bij al je spirituele inhoud niet kunt missen.