Jose de Queiroz over de geneugten van het platteland; In de bergen wacht een bruid

José Eça de Queiroz: De stad en de bergen. Vertaling Harrie Lemmens. Nawoord J. Rentes de Carvalho. Uitg. De Arbeiderspers, 264 blz. Prijs ƒ 45,-.

De grootste Portugese schrijver uit de vorige eeuw, José Eça de Queiroz (1845-1900), publiceerde tijdens zijn leven zes romans. Een jaar na zijn dood verscheen zijn zevende roman, De stad en de bergen. Tot nu toe zijn drie werken van Eça in recente Nederlandse vertaling verschenen: zijn debuut Het vergrijp van vader Amaro, de merkwaardige roman De relikwie en dan nu het postume werk De stad en de bergen. De echte meesterwerken van Eça - O Primo Basillo, Os Maias, A Illustre Casa de Remires - moeten nog komen, maar twee daarvan zijn zo omvangrijk dat ik mij wel kan voorstellen dat uitgeverij De Arbeiderspers liever eerst de wat minder omvangrijke romans brengt.

Toch krijg je, nu eerst het postume De stad en de bergen is verschenen, een enigszins vertekend beeld van Eça de Queiroz. Het boek lijkt een ongeremde verheerlijking van het Portugese platteland, hetzelfde platteland van welks Paapse achterlijkheid Eça in Het vergrijp van vader Amaro zo'n indringend en vernietigend portret had getekend. Was Eça de Queiroz dan iemand die in de loop van zijn leven evolueerde van radicaal tot reactionair? Heeft hij de principes uit zijn jeugd verloochend? Volgens Rentes de Carvalho, die het nawoord bij deze vertaling schreef, was Eça niet zo naïef om op het eind van zijn leven te geloven dat de "stad' synoniem is met de hel en dat het alleen op het platteland, in de Portugese bergen, mogelijk was om "het goede' terug te vinden. Hij ziet deze roman als een "doen alsof'. We "doen alsof' in de bergen echte vreugde kan worden beleefd, we "doen alsof' alleen daar de lucht zuiver en het landschap mooi is. Dat is een mogelijke interpretatie, maar ik kan van dat "doen alsof' eerlijk gezegd toch niet veel sporen vinden in deze roman.

M. de Jong heeft in 1952 in een lezing voor de Vereniging Nederlandse Kring van vrienden van Portugal (later als brochure uitgegeven) De stad en de bergen als volgt beschreven: “A cidade e as Serras is gecomponeerd op de tegenstelling die in de titel besloten ligt. "De Stad' - het Parijs waar Eça sinds 1888 leefde, brandpunt van alle verfijnde cultuur; "De Bergen' - de bergen van Santa Cruz do Douro, het landgoed waar hij zo gaarne zijn laatste levensjaren zou hebben gewoond. Het eerste deel van het boek is een satire op de jacht naar steeds volmaakter comfort, steeds verfijnder techniek; het tweede een loflied op het geruste leven des landmans, een liefdeszang voor Portugal en de weergaloze getuigenis van dat heimwee, die saudade, waarmee Eça zoveel jaren in ballingschap geworsteld heeft.”

Zeker is dat Eça hier het verhaal vertelt van Jacinto, een man die in Parijs op de Champs Elysées nr. 202 woont, en daar in totale levensmoeheid wegzinkt. Als een uitgebluste, nergens meer warm voor lopende, nergens meer in geïnteresseerde, doodvermoeide rijkaard wordt hij door zijn vriend Zé Fernandes die in de ik-vorm het verhaal vertelt, waargenomen. Ik denk dat het niet toevallig is dat Jacinto op de Champs Elysées woont. Verwijst die naam niet naar aldaar wel beloofde, maar niet te genieten arcadische genoegens? Halverwege de roman vertrekken Jacinto en Zé Fernandes naar Santa Cruz do Douro en daar hervindt Jacinto zijn levenslust en verovert hij, vrij gemakkelijk overigens, een bruid.

Ironie

Het verhaal is in feite hoogst clichématig en eigenlijk is nauwelijks geloofwaardig dat Jacinto zich in Parijs doodverveelt en zich in Santa Cruz ontpopt als voortvarende landeigenaar, weldoener en ten slotte ook nog bruidegom. Dat je niettemin toch onvoorwaardelijk gelooft in dit verhaal is alleen te danken aan de prachtig ironische wijze waarop Eça de twijfelachtige geneugten van Champs Elysées 202 beschrijft en de welhaast volmaakt poëtische wijze waarop hij vervolgens de Douro-vallei tekent. Diezelfde Douro-vallei wordt door Rentes de Carvalho in zijn gids van Portugal de mooiste vallei van Europa genoemd, en Eça's beschrijving ervan bevestigt die stoutmoedige uitspraak bladzij na bladzij. Ik kan onmogelijk geloven dat Eça hier alleen maar "deed alsof' hij dit gebied in deze roman aan zijn hart drukte, maar dan moet dadelijk weer de vraag gesteld worden waarom Eça hier het platteland verheerlijkt, terwijl hij in vroeger werk zo scherp de achterlijkheid van het Portugese platteland kritiseerde. Kindler Literatur Lexicon lost het probleem op met de opmerking “dass es Eça de Queiroz um eine Synthese der zum Exotismus neigenden kosmopolitischen Einstellung und der Verbundendheit mit dem eigenen Land ging.”

Misschien is het allemaal wel veel eenvoudiger. Misschien heeft Eça, als balling in Parijs levend, ergens in de buurt van de Champs Elysees met de pen in de hand gedroomd van de Douro-vallei en die toen beschreven als een paradijs, net zoals Rentes de Carvalho later, als balling in Nederland levend, diezelfde vallei karakteriseerde als mooiste vallei van Europa. Hoe het ook zij: Eça heeft Santa Cruz do Douro zo reislust-opwekkend beschreven dat je voor lief neemt dat Jacinto daar wel erg snel en plotseling van zijn taedium vitae geneest en op een wel erg voor de hand liggende manier een meisje (nichtje van Zé Fernandes) toegespeeld krijgt.

Een interessant aspect van de roman is voorts dat Eça de draak steekt met mode-filosofen van zijn dagen, zoals Hartmann, en zich terecht heel laatdunkend uitlaat over het nut van wijsbegeerte. Dit voor die onlangs nog zo fraai door Max Pam belachelijk gemaakte critici die wijsgerige romankunst propageren.